RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30244
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De opvangsituatie in België
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
Kan de minister ten aanzien van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van België niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor alleenstaande meerderjarige niet-kwetsbare mannen. Eiser wijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 juli 20252, waarin is geoordeeld dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer overgedragen mogen worden aan België. In de brief van het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) van 5 februari 2026, waar de minister naar verwijst, staat dat ‘tijdelijk’ gebruik gemaakt kan worden van opvangplaatsen. Dit is volgens eiser geen oplossing voor een structureel probleem. Uit de brief blijkt ook niet dat de tijdelijke opvangplaatsen wordt ingezet voor alleenstaande meerderjarige niet-kwetsbare mannen. Eiser wijst verder op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026.3 De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 ook aangegeven dat op het gebied van rechtsbescherming ook sprake is van structurele tekortkomingen. De brief van Fedasil van 5 februari 2026 gaat daar niet over. Het oordeel van de Afdeling van 23 juli 2025 is dan ook nog steeds actueel. Ter zitting wijst eiser nog op de open brief van het personeel van Fedasil van 3 april 2026, waarin zij kritiek uiten op het beleid van de Belgische minister van Asiel en Migratie.4
6. De minister stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor alleenstaande meerderjarige niet-kwetsbare mannen. Op 5 februari 2026 heeft Fedasil een brief aan de minister gestuurd met nieuwe informatie. Gebaseerd op deze brief, stelt de minister zich op het standpunt dat de opvang voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat (nood)opvang voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk beschikbaar is. Verder heeft de minister verwezen naar het hoger beroepschrift dat is ingebracht in het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026.
7. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. De rechtbank verwijst hiertoe naar de motivering van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 2 juni 2026, rechtsoverweging 7.1 en 7.2:
“7.1. Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maand na indiening van het verzoek om
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 ECLI:NL:RVS:2025:3305.
3 ECLI:NL:RBDHA:2026:14893.
4 Gepubliceerd in ‘De standaard’ en ‘Le Soir’, brief van 3 april 2026.
internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt; op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000 en volgens de minister op de zitting is dit aantal op 1 mei 2026 inmiddels gedaald tot 1.127.
Volgens de genoemde brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk ook vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt, anders dan de minister op de zitting heeft gezegd, onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen.”
8. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voornoemde informatie dat nog steeds sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen die structureel zijn en dat deze de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo.5 Het bestreden besluit geeft geen nadere informatie waarom van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, ten opzichte van de uitspraak deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026. Het bestreden besluit berust op dezelfde brief van 5 februari 2026 en dezelfde doorstroomcijfers. Daarbij komt dat eiser heeft gewezen op de
open brief van de medewerkers van Fedasil van 3 april 2026, waarin zij onder andere wijzen op ‘dagelijkse schendingen van de rechtsstaat en van de menselijke waardigheid’. Als de minister er niet in slaagt om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan en hij niet het asielverzoek aan zich wil trekken, is hij gehouden een nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat.6 De minister is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd, daarom is de minister gehouden om nader onderzoek te doen. De beroepsgrond slaagt.
Effectief rechtsmiddel
9. Verder is de rechtbank niet gebleken dat in België sprake is van een effectieve rechtsbescherming. De Afdeling komt in haar uitspraak van 23 juli 2025 tot het oordeel dat in België ook op het gebied van rechtsbescherming sprake is van structurele tekortkomingen, die maken dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter kunnen
5 ECLI:EU:C:2018.
6 Uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.4.
afdwingen.7 Niet is gebleken dat er inmiddels andere informatie is dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling. Het standpunt van de minister, dat niet aannemelijk is dat eiser na overdracht in een ‘Jawo-situatie’ terechtkomt en dat eiser daarom geen rechtsmiddel zal behoeven, houdt geen stand gelet op wat hiervoor is overwogen. Ter zitting heeft de minister aangeboden om een nader standpunt over de mogelijkheid tot een rechtsmiddel te kunnen geven, maar de rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding omdat de minister hiervoor al voldoende tijd heeft gehad.
Houding van de Belgische autoriteiten
10. Ten aanzien van de houding van de autoriteiten, stelt de minister zich op het standpunt dat van een actieve onwelwillendheid van de Belgische autoriteiten om hun internationale verplichtingen na te komen ‘absoluut geen sprake’ is. Dit volgt de rechtbank niet. In haar uitspraak van 23 juli 2025 gaat de Afdeling in op de houding van de autoriteiten en benoemt hier dat de Belgische autoriteiten ervoor kiezen om mogelijke oplossingen voor het opvangtekort niet in te zetten.8 Hierin wordt aangegeven dat niet wordt gekozen voor het verstrekken van leefgeld, het spreidingsplan wordt niet in werking gesteld en de Belgische autoriteiten weigeren om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen. De Afdeling maakt hieruit op dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Hoewel uit de brief van Fedasil van 5 februari 2026 wel een aantal inspanningen blijken, zien deze niet direct op de verbetering van de opvangsituatie. Deze zien eerder op een poging om de instroom in de opvang te verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat de Belgische autoriteiten niet langer onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de minister tijdens de zitting desgevraagd heeft verklaard niet te beschikken over informatie waaruit blijkt dat de Belgische autoriteiten inmiddels wel uitvoering geven aan gerechtelijke uitspraken en dwangsommen betalen.
Tussenconclusie
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister ten aanzien van België ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het beroep is daarom reeds gegrond.
Standaardvoornemen
12. Eiser voert aan dat sprake is van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek in het voornemen. Op pagina 3 van het voornemen staat een keuzemenu opgesomd onder het kopje ‘u hebt een reëel risico op een slechte behandeling niet aannemelijk gemaakt’ met drie opties. Kennelijk moet een van deze opties gekozen worden en moet de rest weggehaald worden. Dat is niet gebeurd. Dit is een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Uit het voornemen is niet duidelijk wat de belangrijkste reden is dat eiser in de ogen van de minister het risico op een slechte behandeling niet aannemelijk heeft gemaakt.
12. De minister erkent dat sprake is van een gebrek, maar stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het gaat om een klein gebrek en uit het
7 ECLI:NL:RVS:2025:3305, r.o. 5.4.2.
8 ECLI:NL:RVS:2025:3305, r.o. 5.5.1-5.5.3.
bestreden besluit blijkt voldoende welke van deze tekstblokken in onderhavige zaak van toepassing zijn.
14. Niet in geschil is dat sprake is van een gebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Omdat het beroep reeds gegrond is, kan het bestreden besluit immers geen stand houden.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 juli 2026
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.