RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, en
proces-verbaal uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.27532
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 25 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser, mr. P.A.J. Mulders, zich teruggetrokken als gemachtigde.
Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank telefonisch navraag gedaan bij ex-gemachtigde mr. P.A.J. Mulders. Eiser heeft hiermee geen contact opgenomen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.27533, op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. In zijn bericht van 8 juni 2026 heeft de minister gesteld dat eiser blijkens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 28 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer van 1 juli 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:2662), blijkt dat, indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.
4. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
24 juni 2026
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.