ECLI:NL:RBDHA:2026:25843

ECLI:NL:RBDHA:2026:25843

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer AWB 25/20244
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Afwijzing aanvraag voortgezet verblijf. Geen sprake van schending 8 EVRM. Geen sprake van toepasselijkheid van het beleid ter zake van huiselijk geweld zoals dat is uitgewerkt in paragraaf B9/8.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De minister stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de relatie. Beroep ongegrond

Uitspraak

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres van 19 oktober 2025 tegen de afwijzing van haar aanvraag.

De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Op 7 juli 2026 is het onderzoek heropend en zijn partijen per brief geïnformeerd dat de behandeling zal worden voortgezet door een andere rechter. Aan partijen is de gelegenheid geboden om binnen één week aan de rechtbank te laten weten of zij gelet daarop nogmaals op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft hierop geen reacties ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiseres is met ingang van 1 september 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’. Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot 1 september 2026.

Eiseres heeft op 9 april 2025 een aanvraag ingediend tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning naar het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

Besluitvorming

De minister heeft de aanvraag van eiseres voor voortgezet verblijf afgewezen, omdat zij niet heeft voldaan aan de voorwaarde van vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland. Op 7 februari 2025 heeft de heer [referent] ( [referent] ) een meldingsformulier ingediend om te laten weten dat de relatie is verbroken. Gelet hierop heeft de minister in het primaire besluit de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken per 7 februari 2025.

De minister acht de afwijzing niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, aangezien geen sprake is van familieleven dat bescherming behoeft. In het kader van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.

De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van toepasselijkheid van het beleid ter zake van huiselijk geweld zoals dat is uitgewerkt in paragraaf B9/8.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De minister stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde huiselijk geweld heeft geleid tot verbreking van de relatie.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister rekening dient te houden met bijzondere individuele omstandigheden en dat niet is gebleken dat de minister aan bijzondere omstandigheden heeft getoetst. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

Een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden kan volgens paragraaf B9/11 van de Vc worden verleend als er sprake is van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. De minister neemt dan namelijk aan dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de vreemdeling blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen. De vreemdeling moet daarvoor aannemelijk maken dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.

Volgens paragraaf B9/20.2 van de Vc beschouwt de minister als bewijsmiddel van huiselijk geweld recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding van huiselijk geweld, of een recente verklaring van de politie of het Openbaar Ministerie, inhoudende dat laatstgenoemde instantie ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld. Bij de bewijsmiddelen moet ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en dat dit heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie. Eiseres heeft namelijk onvoldoende stukken overgelegd als genoemd in paragraaf B9/20.2. van de Vc. Eiseres heeft weliswaar een proces verbaal van aangifte overgelegd, maar de minister heeft dit document niet ten onrechte onvoldoende bevonden. De aangifte wordt niet ondersteund door andere stukken, zoals bijvoorbeeld meldingen bij Veilig Thuis, medische stukken of andere stukken die de aangifte kunnen onderbouwen. Ook verklaringen ondersteunen de aangifte niet, aangezien eiseres tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft zij in de aangifte gesteld dat haar relatie met [referent] al in september 2023 was beëindigd. [referent] daarentegen heeft verklaard dat hun relatie in gezamenlijk overleg per 7 februari 2025 was beëindigd. In de door eiseres overgelegde verklaring van psycholoog [naam] van 10 juni 2025 wordt niets gezegd over huiselijk geweld. Ook deze verklaring kan de aangifte dus niet ondersteunen. De verklaring van [bedrijf] , de werkgever van eiseres, van 22 mei 2025 heeft de minister onvoldoende objectief verifieerbaar mogen vinden. Gelet al hierop heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van geweld binnen de relatie. Van bijzondere individuele omstandigheden is derhalve niet gebleken.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt. In het primaire besluit heeft de minister uiteengezet waarom geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Niet is gebleken dat er sprake is van familie- of gezinsleven dat bescherming behoeft. Ten aanzien van het privéleven van eiseres heeft de minister uitgebreid gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Eiseres heeft niet nader onderbouwd op welke punten deze belangenafweging gebrekkig zou zijn. Pas eerst ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat er sprake zou zijn van schending van artikel 8 van het EVRM vanwege het familieleven dat zij stelt te hebben met haar in Nederland verblijvende meerderjarige broer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van afhankelijkheid tussen eiseres en haar broer. Een dergelijke afhankelijkheid is vereist om te kunnen spreken van te beschermen familieleven. Eiseres heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van het bestaan van zo’n afhankelijkheid. De enkele verwijzing naar de aanwezigheid van haar broer in Nederland maakt niet dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Eiseres stelt zich ten slotte op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. In de bezwaarprocedure zijn geen nieuwe stukken overgelegd waarmee aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat sprake was van huiselijk geweld. Zonder deze stukken heeft het bezwaar bij voorbaat geen kans van slagen. Daarom heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en mogen afzien van het horen van eiseres in de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Griffier

  • mr. N.R. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand