RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49038
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 27 augustus 2026 zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 1 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 1 september 2026 om 12.01 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ondertekening maatregel van bewaring
3. Eiser stelt dat bij controle van de door de minister overgelegde maatregel de elektronische handtekening niet kan worden gevalideerd. In een pdf-viewer verschijnt een foutmelding. Dat maakt dat niet kan worden vastgesteld of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend en overeenkomstig artikel 5.3 van het Vb tot stand is gekomen. 3.1. Zoals de rechtbank bekend is, kan de elektronische handtekening worden geverifieerd door het digitale bestand van de maatregel in een pdf-viewer te openen en op de handtekening te klikken. De rechtbank heeft – net als de minister – het digitale bestand van de maatregel in pdf-viewer geopend en heeft op die manier kunnen vaststellen dat de handtekening geldig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtsgeldig is. De rechtbank ziet in wat eiser stelt geen aanleiding om te twijfelen aan de geldigheid van de ondertekening. Dat eiser in zijn pdf-viewer een foutmelding krijgt, kan aan de juistheid van de verifiëring door de rechtbank niet af doen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.Terugkeerbesluit
4. Eiser stelt vast dat het terugkeerbesluit en de bekendmaking ervan niet in het dossier zit. Dat maakt dat het besluit van 6 maart 2026 en de wijze waarop het besluit aan eiser bekend zou zijn gemaakt niet kan worden gecontroleerd. Daarom kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser een terugkeerverplichting heeft ontvangen en die vervolgens niet is nagekomen.
De minister heeft het terugkeerbesluit van 6 maart 2026 aan het dossier toegevoegd. Verder heeft de minister een rapport van bevindingen toegevoegd, waaruit blijkt dat eiser op het moment van het besluit met onbekende bestemming was vertrokken en er geen gemachtigde bekend was waardoor het besluit ter inzage is gelegd op het aanmeldcentrum in [plaats].
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de minister toegevoegde stukken, het vaststaat dat er een afwijzend asielbesluit is van 6 maart 2026, tevens zijnde een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen en een inreisverbod van 2 jaar en dat dit besluit rechtsgeldig bekendgemaakt is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist grond c, omdat eisers identiteit en nationaliteit inmiddels zijn bevestigd.
De rechtbank overweegt dat wat er ook zij van deze grond, de overblijvende (niet bestreden) gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. Daarom kan gelet op deze gronden en de daarbij gegeven motivering worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat de motivering van de minister in de maatregel van bewaring ten aanzien van het lichter middel onvoldoende is geïndividualiseerd door enkel te concluderen dat er “gezien de bovenstaande gronden en motiveringen” geen aanleiding is voor een lichter middel. Niet kenbaar is gemaakt dat eiser heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan terugkeer, zijn paspoort stelt te hebben ingeleverd, een concreet vertrektraject heeft gehad, heeft verklaard buiten detentie te kunnen wachten en slechts een financiële ondersteuning verlangd om daadwerkelijk te vertrekken. De minister heeft niet concreet gemotiveerd waarom bijvoorbeeld een meldplicht, verblijf op een bekende locatie en/of intensieve vertrekbegeleiding onvoldoende zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende kenbaar gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel niet alleen de gronden en de motiveringen betrokken zoals eiser heeft gesteld, maar uit de maatregel van bewaring blijkt ook dat de door eiser gestelde medische klachten, de afgelegde verklaringen in het gehoor en het gedrag van eiser zijn betrokken bij de beoordeling. Van een overgelegd paspoort is, anders dan dat eiser stelt dat hij dat zou hebben gedaan, niet gebleken. Verder is van belang dat eiser de kans heeft gehad om zelfstandig te vertrekken, maar dit niet heeft gedaan. Dat eiser thans heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan terugkeer maakt het voorgaande dan ook niet anders. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch weer onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Non-refoulement 7. Eiser heeft tijdens het gehoor van 24 augustus 2026 concreet verklaard dat hij bij terugkeer naar Algerije vreest voor zijn leven vanwege problemen met een criminele organisatie. Hij heeft verklaard dat deze personen nog steeds naar hem op zoek zijn en dat een vriend in Frankrijk hem hierover heeft geïnformeerd. De minister heeft deze verklaringen in de maatregel wel weergegeven, maar vervolgens volstaan met de conclusie dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een schending van het non-refoulementbeginsel. Daarmee is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de minister vóór de uitzetting daadwerkelijk heeft beoordeeld of verwijdering naar Algerije verenigbaar is met artikel 3 van het EVRM. Dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, betekent niet dat de minister van iedere zelfstandige beoordeling van een gesteld risico is ontslagen. Dit geldt temeer nu eiser tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij weliswaar bereid is terug te keren, maar dit doet omdat hij zijn moeder wil zien en het risico voor lief neemt.
De rechtbank volgt eiser hierin niet en is van oordeel dat de minister in de maatregel van bewaring onder het kopje “artikel 3 EVRM” genoegzaam heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een schending van het non-refoulementsbeginsel bij terugkeer naar Algerije. Daarbij heeft de minister allereerst opgemerkt dat eiser meermalen asielaanvragen heeft ingediend die hij vervolgens weer heeft ingetrokken of de uitkomst ervan niet heeft afgewacht en is vertrokken met onbekende bestemming. Verder heeft de minister de door eiser tijdens het gehoor afgelegde verklaringen betrokken. De verklaring van eiser dat hij vanwege problemen met de maffia in zijn land van herkomst het land heeft verlaten en hij de verwachting heeft deze problemen ook te hebben bij terugkeer heeft eiser, ondanks dat hij al ruim 10 jaar in Europa verblijft en meerdere procedures heeft doorlopen, op geen enkele wijze onderbouwd. Uit het dossier van eiser blijkt volgens de minister ook niet dat eiser enige moeite heeft gedaan om zijn gestelde problemen te onderbouwen en dat doet ook afbreuk aan de noodzaak voor bescherming. Verder is onder de motivering opgenomen dat eiser heeft verklaard dat hij, ondanks zijn gestelde problemen, vrijwillig naar Algerije wil terugkeren om zijn zieke moeder te bezoeken als hij hiervoor financiële compensatie krijgt. Ook deze verklaring geeft volgens de minister geen blijk van een reëel risico bij terugkeer. De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit de verklaringen en ook overigens uit het dossier geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten volgen dat het beginsel van non-refoulement in dit geval in de weg staat aan de terugkeerverplichting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.