ECLI:NL:RBDHA:2026:25873

ECLI:NL:RBDHA:2026:25873

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.43687
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

AMB-verordening. Minister is ten onrechte uitgegaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van België. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43687

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.43688, op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

6. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. België heeft de kennisgeving bevestigd.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. In de uitspraak van 23 juli 20252 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer overgedragen mogen worden aan België. Volgens de Afdeling kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België worden uitgegaan. De Afdelingsuitspraak ziet op de volgende punten:

- opvangvoorzieningen: er is sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen;

- effectieve rechtsbescherming: niet-kwetsbare alleenstaande mannen kunnen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter afdwingen;

- houding van de Belgische autoriteiten: uit het feit dat de autoriteiten zich niet langer inzetten om nieuwe opvangplaatsen te creëren en weigeren om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen blijkt onverschilligheid.

Standpunten partijen

8. Eiser voert aan dat de minister nog steeds niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. Er is namelijk nog steeds sprake van structurele en aanzienlijke tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België en het is daarom aannemelijk dat eiser, bij overdracht, op straat zal belanden. Eerder heeft eiser namelijk ook in België geen opvang gehad. De verwijzing naar de brief van Fedasil is onvoldoende om aan te nemen dat hij nu wel opvang zal krijgen. Uit de brief blijkt niet dat er geen sprake meer is van tekortkomingen in opvangvoorzieningen voor meerderjarige alleenstaande mannelijke vreemdelingen. De minister kon niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terecht komt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo arrest. Ook is nog steeds geen sprake van effectieve rechtsbescherming in België als het gaat om het verkrijgen van opvang.

9. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst hiervoor naar een brief van Fedasil van 5 februari 2026. Deze brief is opgenomen als bijlage bij het Informatiebericht 2026/08. Gebaseerd op deze brief, stelt de minister zich kort gezegd op het standpunt dat de opvang voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat (nood)opvang voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk beschikbaar is. Al langere tijd staan er veel minder alleenstaande mannen op de doorstroomlijst voor een plek in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil. In ruim een half jaar tijd is het aantal personen op deze lijst gehalveerd. Zo stonden er op 30 september 2025 1.945 personen op de doorstoomlijst, terwijl het op 1 juni 2026 slechts nog om 1.040 personen ging. Er is volgens de minister dus sprake van een dalende trend. Verder blijkt uit de website van Fedasil dat sprake is van een bezettingsgraad is van 93%, wat betekent dat de opvanglocaties niet helemaal vol zitten en er nog opvangplaatsen beschikbaar zijn. Uit verklaringen van de verantwoordelijke Belgische bewindspersoon, afgelegd ten overstaan van de Commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken op 22 april 2026, blijkt dat veel personen die op de doorstroomlijst staan, geen gebruik maken van de ‘nood/humanitaire’ opvangplaatsen. Zij maken namelijk veelal gebruik van opvangmogelijkheden binnen het eigen netwerk. De minister stelt verder dat het relevante criterium niet is dat er een (humanitaire) opvangplek moet zijn gegarandeerd. In dit verband verwijst de minister naar het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (het Hof) N.H. en anderen tegen France van 2 juli 2020 (N.H. arrest). Dat een vreemdeling zich na aankomst kortstondig staande moet houden zonder opvang, maakt niet dat daarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het Jawo-arrest wordt bereikt.

Oordeel van de rechtbank

10. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

11. Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maand na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt; op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000 en volgens de minister is dit aantal op 1 juni 2026 inmiddels gedaald tot 1.040.

12. In de brief van Fedasil wordt gesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk ook vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen.

13. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt en sprake is van gemiddeld een doorstroomtijd van 3,5 maand biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers niet langer sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang. De verwijzing van de minister naar het N.H. arrest gaat in dit verband niet op. In paragraaf 160 van het arrest staat dat artikel 3 van het EVRM geen plicht geeft om iedereen ‘a right to housing’ te garanderen. Voor de definitie hiervan wordt verwezen naar het arrest Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk. Uit paragraaf 99 van dit arrest volgt dat een ‘right of housing’ omvat: een recht om te worden voorzien in een thuis, een plek waar iemand kan wonen en die hij/zij zijn thuis kan noemen. Dat betekent iets anders dan het garanderen van basis opvang, waarin hij kan voorzien in zijn basisbehoeftes als eten, hygiëne en een plek om te leven. Bovendien kan uit het N.H. arrest worden opgemaakt dat indien een vreemdeling gedurende bijvoorbeeld een periode van 133 dagen verstoken blijft van deze basisvoorzieningen, wel degelijk sprake is van een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Het standpunt van de minister dat, gelet op de doorstroomtijd van 3,5 maand de drempel van het Jawo-arrest niet wordt gehaald, volgt de rechtbank dus niet.

14. De minister heeft verder verwezen naar een bezettingsgraad van 93%. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden wat die bezettingsgraad precies omvat en of dat daadwerkelijk betekent dat structureel sprake is van voldoende ruimte. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 over de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België heeft overwogen, had het op de weg van de minister gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.

16. De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat eiser bij problemen hij daarover kan klagen in België. Volgens de minister is niet gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.

17. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Daarom is de Afdeling van oordeel dat in België ook op het gebied van rechtsbescherming sprake is van structurele tekortkomingen, die maken dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter kunnen afdwingen. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.

Conclusie en gevolgen

18. Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de minister in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.

18. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

20. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 30 juli 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken op 4 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand