RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43852
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.43853, op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
7. In dit geval heeft Nederland bij Noorwegen een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Noorwegen heeft hierop niet (tijdig) gereageerd. Dat staat gelijk aan het bevestigen van de kennisgeving.
Niet-registertolk
8. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte gebruik is gemaakt van een niet-registertolk tijdens het gehoor. Er was volgens eiser geen sprake van vereiste spoed zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers. De minister heeft pas na een maand na het indienen van zijn aanvraag beslist. Ook is eiser niet geïnformeerd dat de tolk bij het gehoor niet een register tolk was.
9. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Daargelaten of artikel 43 van de AMB-verordening in de weg staat aan de beoordeling van de beroepsgrond van eiser, overweegt de rechtbank dat eiser geenszins heeft aangevoerd welke belangen zijn geschonden door het gebruik van een niet-registertolk. Tijdens het gehoor heeft eiser meerdere keren aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan. Ook is niet anderszins iets aangevoerd wat maakt dat als gevolg van het horen met een niet-registertolk feiten en omstandigheden zijn miskend die van invloed zijn op overdracht aan Noorwegen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Claimakkoord en overdracht
10. Verder heeft eiser aangevoerd dat er geen claimakkoord heeft plaatsgevonden. Ook heeft de minister miskend dat hij bezwaren heeft tegen overdracht aan Noorwegen.
11. De rechtbank overweegt dat de minister naar voren heeft gebracht dat er wel degelijk sprake is van een fictief akkoord gelet op artikel 45 van de AMB-verordening. Uit het dossier blijkt ook dat er contact is geweest tussen Noorwegen en Nederland. In dat contact is aangegeven dat Noorwegen de aanvraag van eiser aan zich trekt.
12. Verder is tijdens het gehoor gevraagd naar de redenen waarom eiser niet overgedragen zou kunnen worden naar Noorwegen. In reactie daarop heeft eiser verklaard dat er geen redenen zijn om niet over te vragen. In de correcties en aanvullingen is enkel verwezen naar een tante in Nederland. Daar is de minister uitvoerig op ingegaan in het bestreden besluit. In beroep heeft eiser daar niet op gereageerd. Ook zijn er geen andere redenen aangevoerd waarom niet overgegaan kan worden tot overdracht naar Noorwegen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op 4 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.