RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50078
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 19 maart 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 8 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage (M120) overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Uit de uitspraak van het vorige vervolgberoep van 23 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 23 juli 2026 rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend en bestaat een redelijk vooruitzicht op verwijdering?
5. Eiser voert – samengevat – aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering en er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser verblijft ruim vijf maanden in vreemdelingenbewaring. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat de minister tot nu toe voldoende voortvarend heeft gehandeld voor de uitzetting van eiser. Er zijn inmiddels meer dan zeven maanden verstreken zonder dat een lp is afgegeven. Eiser heeft evenmin een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten gehad. Sinds sluiting van het vorig onderzoek heeft de minister slechts tweemaal gerappelleerd. De minister heeft dan ook onvoldoende inspanningen verricht om de voortgang van de lp te bevorderen. Het had op de weg van de minister gelegen om actief navraag te doen en de Algerijnse autoriteiten tot een reactie te bewegen. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop zonder enige concrete voortgang, kan niet langer worden aangenomen dat een reëel en concreet zicht op uitzetting bestaat. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat de medewerking van de Algerijnse autoriteiten binnen afzienbare termijn alsnog zal worden verleend. Eiser is feitelijk dan ook niet verwijderbaar.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland of dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister vanaf de sluiting van het vorige onderzoek regelmatig heeft gerappelleerd. Namelijk telefonisch op 30 juli 2026 en schriftelijk op 20 augustus 2026. Dat er twee keer is gerappelleerd acht de rechtbank voldoende, omdat dit plaatsvond binnen een tijdsbestek van ruim een maand. Ook heeft de minister op 17 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarmee heeft de minister maandelijks uitzettingshandelingen verricht en voldoende gedaan om de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten onder de aandacht te brengen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister voor het verstrekken van een lp, het plannen van een presentatie en de voortgang daarin, afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten. Dat er nog geen lp is afgegeven en nog geen presentatie is gepland, betekent niet dat dit niet zal gebeuren en er op dit moment geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Het enkel feit dat de lp-aanvraag al ruim zeven maanden geleden is ingediend, is onvoldoende voor die conclusie. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eiser een meewerkende houding heeft aangenomen om de lp-afgifte te bespoedigen. Uit het vertrekgesprek van 17 augustus 2026 volgt namelijk dat eiser niets heeft ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen en geen contact kan opnemen met zijn oom. De rechtbank overweegt dat het niet noodzakelijk is om contact op te nemen met familie, maar eiser had bijvoorbeeld ook zelf contact kunnen opnemen met de Algerijnse ambassade, maar daarvan is ook niet gebleken. Deze beroepsgronden slagen niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert – samengevat – aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser inmiddels al ruim vijf maanden in vreemdelingenbewaring zit en onvoldoende blijkt welke handelingen de minister verricht om de uitzetting van eiser te realiseren. Als de minister van oordeel is dat toezicht op eiser noodzakelijk blijft, kan worden volstaan met een meldplicht of plaatsing in een AZC of VBL. Het langdurig uitblijven van een reactie op de lp-aanvraag had voor de minister aanleiding moeten zijn om opnieuw te beoordelen of niet met een lichter middel kan worden volstaan. Verder is van belang dat eiser meewerkt. Zoals blijkt uit het vertrekgesprek van 22 mei 2026 wil eiser de contactgegevens van zijn familieleden achterhalen via Facebook. Daar heeft eiser internet voor nodig en die mogelijkheid is hem niet geboden. Dit vertrekgesprek is niet opgenomen in het dossier waardoor de rechtbank geen volledig inzicht heeft in eisers medewerking. Eiser meent verder dat de minister expliciet dient te overwegen waarom er niet gekozen wordt voor een lichter middel.
Voor deze beroepsgrond verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak, rechtsoverweging 9. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het voortvarend handelen en het zicht op uitzetting heeft de rechtbank hiervoor reeds besproken. Verder overweegt de rechtbank dat het ruim vijf maanden in vreemdelingenbewaring zitten geen aanleiding vormt om daarom een lichter middel op te leggen. In tegenstelling tot wat eiser stelt, is niet gebleken dat eiser actief werkt aan zijn terugkeer. De gevolgen hiervan komen dan ook voor zijn eigen rekening. Dat eiser via Facebook contactgegevens van zijn familieleden wil verkrijgen waarvoor hij internet nodig heeft volgt de rechtbank niet, aangezien eiser in het meest recente vertrekgesprek heeft aangegeven dat hij geen contact kan opnemen met zijn oom, omdat zijn oom vanwege werk zes maanden van huis kan zijn en hij verder niet over familieleden beschikt uit zijn land van herkomst. Ook is in de vorige uitspraak al overwogen dat eiser contact kan opnemen met de Algerijnse ambassade en daarvoor geen internet vereist is. Niet is gebleken dat eiser van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Dat het verstrekgesprek van 22 mei 2026 niet is opgenomen in het dossier, maakt niet dat de rechtbank onvoldoende inzicht heeft in eisers gestelde medewerking, eiser heeft hetzelfde gesteld tijdens het vertrekgesprek van 17 juli 2026 wat wel aan het dossier is toegevoegd en waarvan de rechtbank kennis heeft kunnen nemen. Ook is niet gebleken dat eiser nadien enige actie heeft ondernomen. Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot een lichter middel of een belangenafweging in het voordeel van eiser is de rechtbank ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.