ECLI:NL:RBDHA:2026:25909

ECLI:NL:RBDHA:2026:25909

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.28690 en NL26.28692
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin Spanje, beroep gegrond, niet onderkend dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid, motiveringsgebrek ten aanzien van artikel 17 van de Dublinverordening, ten onrechte omstandigheden niet in samenhang beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.28690 en NL26.28692

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1] , eiser,

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen

[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 3] en [eiser 3], V-nummer: [V-nummer 4] , eisers

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 21 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvragen.

De rechtbank heeft de beroepen op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers, B. Naseh als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere

lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

Had de minister de asielaanvragen in behandeling moeten nemen?

5. Ter zitting hebben eisers de beroepsgronden verduidelijkt. Niet in geschil is dat ten aanzien van Spanje in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgronden van eisers moeten worden gezien in het kader van een beroep op het arrest C.K.2 en artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

6. Eisers voeren aan dat zij bijzonder kwetsbaar zijn en dat zij medische zorg behoeven. Ten aanzien van de psychische gesteldheid van eiser volgt uit het dossier dat hij suïcidale gedachten heeft, hij is depressief en hij hoort stemmen in zijn hoofd. Ook heeft eiser op 27 mei 2026 al zijn slaapmedicatie tegelijk ingenomen, waarbij hij heeft aangegeven dat als hij meer had gehad dat hij dan alles had ingenomen. Eiser is toen beoordeeld door de crisisdienst in verband met zijn suïcidale gedachten en vervolgens is hij onder behandeling gesteld bij GGz Centraal, afdeling Intensieve behandeling thuis (IHT). Dar heeft hij nu eens in de drie dagen een afspraak. Eiser heeft ter zitting hiertoe zijn afsprakenkaart getoond, waaruit is op te maken dat hij geregeld afspraken heeft bij ‘intensive hometreatment’ bij de GGZ, bestaande uit een ‘kortdurende behandeling in de eigen leefomgeving bij een (dreigende) psychiatrische crisis, voor een periode van maximaal zes weken.’ Ter zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij op de opvanglocatie niet bij zijn kinderen kan slapen wegens de stemmen in zijn hoofd. Hij slaapt daarom buiten op het terrein van de opvanglocatie of in de rookruimte.

Beide kinderen hebben een liesbreuk. [kind 1] is hiervoor al geopereerd, [kind 2] ondergaat in Nederland op 27 juli 2026 een operatie. Ook moet een van de kinderen nog verder onderzocht worden wegens een achterstandsgroei van het geslachtsorgaan. Ter zitting voegt eiser toe dat eiseres overspannen is en vaak huilt. Verder heeft de minister volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen. De kinderen ervaren sinds enige tijd rust en stabiliteit en gaan ze naar school. Uit de observatie van de basisschool blijkt dat beide kinderen veel behoefte hebben aan veiligheid en nabijheid van de leerkracht. En hierin wordt aangegeven dat een voorspelbare omgeving die niet heel wisselend is, nodig is om in ontwikkeling te komen. Daarnaast hebben eisers de zorg en ondersteuning nodig van de zus van eiseres en haar man. Zij en haar man helpen met de zorg voor de kinderen. Dit doen ze onder andere door ze aan te kleden, eten en drinken te geven en mee te gaan naar het ziekenhuis voor afspraken. Ter zitting is aangegeven dat zij ook met eisers op de opvanglocatie verblijven op dezelfde kamer. De zorg van de zus van eiseres en haar man is volgens eisers nodig, gelet op de psychische toestand waarin eiser verkeert. Bij overdracht aan Spanje zou deze zorg wegvallen. Eisers menen dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet alle omstandigheden in samenhang betrokken.

Beoordeling beroep op het arrest C.K.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest, wanneer de

1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.

overdracht van een Dublinclaimant met een bijzonder ernstige mentale of lichamelijke aandoening leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de informatie die eisers hebben overgelegd over de medische situatie van eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk risico er is. Uit het bericht van de crisisdienst van 29 mei 2026 blijkt dat sprake is van suïcidaliteit, maar ook dat eiser deze onder controle weet te houden. Eiser heeft soms gedachten aan suïcidaliteit, maar dit is niet iets wat hij wil. Hij wil er zijn voor zijn kinderen. Hoewel de op komst zijnde uitzetting naar Spanje een risicofactor is, volgt hieruit niet dat de overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Het beroep op het arrest C.K. slaagt daarom niet.

9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening mag de minister asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Volgens het beleid van de minister in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt van deze bevoegdheid onder meer gebruik gemaakt in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid. De rechtbank toetst of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan deze bevoegdheid en of de bestreden besluiten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

10. Ten aanzien van de bijzondere kwetsbaarheid van eisers heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij niet bijzonder kwetsbaar zijn in de zin van het arrest Tarakhel.3 Dit kan de rechtbank niet volgen. Kinderen zijn reeds vanwege hun minderjarigheid al bijzonder kwetsbaar, ook als ze worden vergezeld door hun ouders.4 Daarbij komt nog dat eisers psychische en medische problemen hebben, zoals eerder uiteengezet in overweging 6. Hoewel dit er niet toe leidt dat er individuele garanties moeten worden gevraagd bij overdracht omdat uit mag worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Spanje, is dit wel een omstandigheid die de minister had moeten meewegen in zijn beoordeling of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan. Hierdoor is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en het beroep slaagt reeds daarom.

11. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft de minister ten onrechte de bijzondere kwetsbaarheid van eisers niet meegewogen in zijn beoordeling of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister ten onrechte niet kenbaar heeft gemotiveerd dat de omstandigheden van eisers, in samenhang bezien, niet leiden tot een toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hoewel de rechtbank ziet dat veel van wat eisers aanvoeren pas in de beroepsfase naar voren is gebracht en dus niet kon worden meegenomen in de bestreden besluiten, dient de minister deze omstandigheden ook mee te nemen in zijn beoordeling. Ook de bijzondere kwetsbaarheid van eisers. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de belangen van de kinderen en de gevolgen voor de overdracht

3 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 4 november 2014, no. 29217/12.

4 Arrest Tarakhel, overweging 119.

voor hen, als bedoeld in artikel 6 van de Dublinverordening. De minister dient bij zijn beoordeling of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid ook de omstandigheden als besproken ter zitting te betrekken in zijn beoordeling, zoals onder overweging 6 ook uiteen is gezet.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met

het motiveringsbeginsel op basis van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaken te voorzien. Dit omdat het aan de minister is om een beoordeling te maken of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid bij een overdracht van eisers aan Spanje. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om de gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaken af te doen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken.

Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank beschouwt de ingestelde beroepen als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de beroepen tezamen zijn behandeld, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden voor

de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat het gaat om samenhangende zaken, beschouwt de rechtbank de beroepen als één zaak. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal

€ 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 juli 2026

Documentcode: [documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Schnitzler

Griffier

  • mr. M.A.W.M. Engels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand