ECLI:NL:RBDHA:2026:25917

ECLI:NL:RBDHA:2026:25917

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.48747
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring – verlengingsbesluit – procedure LVV – tijdigheid besluit – belangenafweging – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48747

(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

De minister heeft op 2 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel

59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Bij besluit van 24 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de maatregel

van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.

De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.J. Bentaieb. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op de zitting heeft de rechtbank verzocht om nadere informatie. De minister heeft op 31 augustus 2026 nadere stukken ingediend en eiser heeft op 1 september 2026 hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 3 september 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.

Toetsingskader

2. Volgens artikel 59, zesde lid, van de Vw mag de maatregel van bewaring met nog

eens twaalf maanden worden verlengd, als uitzetting wellicht meer tijd zal vergen (alle redelijke inspanningen ten spijt) als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

3. De minister moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf

A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het

arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit.

Gegrondverklaring

4. Uit de bijlage van het voortgangsrapport m.b.t. uitzetting (M120) blijkt dat op 24

augustus 2026 een gegrondverklaring heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt niet waar deze gegrondverklaring op ziet. Ter zitting konden zowel eiser als de minister dit ook niet toelichten. De rechtbank heeft daarom de minister en eiser in de gelegenheid gesteld om hier nog nadere informatie over in te dienen.

5. De minister heeft op 31 augustus 2026 de betreffende uitspraak aan het digitale

dossier toegevoegd. Het gaat om een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar betreffende de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV). Dit beroep is op 30 september 2025 gegrond verklaard en op 24 augustus 2026 in het systeem van de minister opgevoerd. Eiser heeft hierop gevraagd naar de stand van zaken in die procedure.

6. De rechtbank acht de gegronde uitspraak in het beroep tegen het niet tijdelijk

beslissen niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, evenals de voortgang in de bezwaarprocedure zelf en heeft het onderzoek gesloten.

Tijdige verlenging

7. Aan eiser is op 2 maart 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond

van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiser voert aan dat hij voorafgaand aan deze maatregel twee weken in bewaring heeft gezeten. Deze twee weken moeten worden meegenomen in de berekening voor de termijn om de maatregel te verlengen, waardoor het verlengingsbesluit van 24 augustus 2026 te laat is genomen. Eiser geeft aan dat hij weet dat deze rechtbank op 23 maart 2026 in de uitspraak op zijn beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van 2 maart 2026 al een oordeel over het vorenstaande heeft gegeven, maar wil dit desondanks toch aanvoeren.

8. De rechtbank merkt op dat zij in haar uitspraak van 23 maart 2026 heeft

geoordeeld dat eiser op 2 maart 2026 in bewaring is gesteld ter uitvoering van het op 2 maart 2026 uitgevaardigde terugkeerbesluit. Dit betekent dat de termijn voor verlenging op 2 maart 2026, de datum van oplegging van deze maatregel, is gaan lopen. Eventuele eerdere inbewaringstellingen worden hierbij niet meegenomen omdat deze niet ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 2 maart 2026 zijn geweest.

9. De rechtbank overweegt als volgt. Aan eiser is op 2 maart 2026 de maatregel

van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd. Gelet op hetgeen in overweging 8 is opgenomen, begint de termijn van zes maanden op 2 maart 2026 te lopen en is die termijn op 28 augustus 2026 verstreken. De minister mocht de maatregel van bewaring ten hoogste twee weken voor het verstrijken van de termijn van zes maanden verlengen. Gelet op de omstandigheid dat het verlengingsbesluit dateert van 24 augustus 2026 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister niet onjuist heeft gehandeld en dat geen sprake is van een te laat genomen verlengingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Gronden uit het verlengingsbesluit

10. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 19 januari 2026 in bewaring is gesteld

omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:

c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

11. De rechtbank stelt vast dat de gronden niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat

de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd en het verlengingsbesluit kunnen dragen.

Belangenafweging

12. Eiser voert aan dat de maatregel steeds zwaarder voor hem wordt. Eiser stelt dat

zijn belang om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het belang van de minister om de maatregel te laten voortduren.

13. De rechtbank is van oordeel dat eisers stelling, dat de maatregel hem steeds

zwaarder valt, geen aanleiding is om de bewaring op te heffen. Eiser werkt in zijn geheel niet mee aan zijn uitzetting en van bijzondere belangen of omstandigheden is verder niet gebleken. Ook is niet gebleken van omstandigheden die eisers inbewaringstelling onevenredig bezwaarlijk maken. Om die redenen valt de belangenafweging niet in zijn voordeel uit. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de

minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding

afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 september 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand