RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48669
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en
Procesverloop
In het besluit van 18 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres, mede gedaan namens haar minderjarige [zoon], niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij aangegeven dat een mondelinge behandeling hiervan achterwege kan blijven.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [datum 1] 1984 en haar zoon op [datum 2] 2011. Beiden hebben de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 4 juni 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit EU-Vis is gebleken dat eiseres van de Spaanse autoriteiten een visum heeft gekregen, dat geldig was van 30 april 2026 tot en met 30 mei 2026. Verweerder heeft daarom de Spaanse autoriteiten gevraagd om eiseres en haar zoon over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 6 augustus 2026 hebben de Spaanse autoriteiten het overnameverzoek aanvaard en daarmee hun verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiseres bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
3. Eiseres voert aan dat de procedure onzorgvuldig is gevoerd waardoor het bestreden besluit alleen al om die reden niet in stand kan blijven. De gemachtigde van eiseres is pas op 11 augustus 2026 aan eiseres toegevoegd en op 18 augustus 2026 is het besluit al genomen, waardoor eiseres in haar belangen is geschaad. Bovendien is in Spanje sprake van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of asielprocedure. Eiseres verwijst hiervoor naar het Country Report: Spain. 2023 Update van AIDA van 10 juli 2024 en haar persoonlijke omstandigheden, namelijk haar zwangerschap. Ook was de wens van haar zoon om naar Nederland te gaan en heeft hij hier inmiddels een sociaal leven opgebouwd. Ten onrechte is daarom geen toepassing gegeven aan de artikelen 23 van de Asiel- en Migratiebeheer Verordening (Ambv) en artikel 24 van het Handvest, waarin is bepaald dat het belang van het kind de eerste overweging vormt voor de lidstaten. Tot slot had verweerder gebruik kunnen en moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid, als neergelegd in artikel 35 van de Ambv.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Voor zover eiseres meent dat de gevolgde procedure onzorgvuldig is geweest omdat zij te laat in contact is gekomen met haar gemachtigde, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft geconcretiseerd dat zij daardoor in haar belangen is geschaad. De enkele niet nader onderbouwde stelling is daartoe onvoldoende. Voorts heeft eiseres in beroep de gelegenheid gehad om tegen het besluit in te brengen wat zij anders voorafgaand aan het besluit had ingebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Per 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Amvb in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
6. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest is één van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben.
7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
8. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Spanje het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Spanje uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Spanje de asielaanvraag van eiseres zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Uit de door eiseres aangehaalde informatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat er zodanige problemen zijn met de opvangvoorzieningen in Spanje dat er sprake is van structurele tekortkomingen, die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 4 van het Handvest bereiken. In de in de voetnoot onder 3 genoemde Afdelingsuitspraak van 24 juni 2024 is het AIDA-rapport (update 2023) van juli 2024 betrokken. De daarna uitgebrachte updates van 2024 en 2025 geven naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander of slechter beeld van de asiel- en opvangsituatie voor claimanten ten opzichte van het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport update 2023. Daar komt bij dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiseres in behandeling te nemen in overeenstemming met de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen naleeft. De enkele stelling van eiseres dat er tekortkomingen zijn in Spanje in de opvangvoorzieningen of asielprocedure, maakt dat oordeel, ondanks de persoonlijke situatie van eiseres, niet anders. Als eiseres meent dat de Spaanse autoriteiten haar onvoldoende kunnen of willen helpen of beschermen, is het aan haar om daarvan melding te doen bij de (hogere) autoriteiten in Spanje of de daartoe geëigende instanties.
9. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de wens vaan haar zoon om naar Nederland te gaan en hij hier al een sociaal leven heeft opgebouwd, stelt de rechtbank voorop dat overwegingen in verband met het belang van het kind, zoals neergelegd in artikel 23 van de Ambv en artikel 24 van het Handvest niet de verplichting kunnen scheppen om een asielverzoek te behandelen waarvoor de lidstaat in kwestie niet verantwoordelijk is. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het belang van de zoon van eiseres zich niet verzet tegen een overdracht aan Spanje.
10. Het beroep van eiseres op de discretionaire bevoegdheid in de zin van artikel 35 van de Amvb ziet niet op één van de in artikel 43 van de Amvb genoemde gronden. De toepassing van de discretionaire bevoegdheid is dan ook uitgesloten van de rechterlijke toetsing. De rechtbank kan in dat kader dan ook niet ingaan op wat eiseres op dit punt heeft aangevoerd.
11. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 18 augustus 2026 in stand blijft.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.