RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48566
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij besluit van (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op de zitting heeft de rechtbank verzocht om nadere informatie over de piketmelding van 21 augustus 2026. De minister heeft op 31 augustus 2026 nadere informatie overgelegd. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 3 september 2026 gesloten.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
1. De rechtbank stelt vast dat geen inhoudelijke gronden tegen de toegangsweigering zijn aangevoerd. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toegangsweigering onrechtmatig is opgelegd.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
2. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Recht op rechtsbijstand
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn recht op rechtsbijstand heeft geschonden. Hiertoe voert eiser aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich te laten bijstaan door een advocaat tijdens het gehoor van 21 augustus 2026 om 23.00 uur. Uit het dossier blijkt dat op 21 augustus 2026 om 20.50 uur een piketmelding is verzonden. Echter sluit de piketdienst om 20.00 uur, waardoor pas de volgende dag een advocaat aan eiser is gekoppeld.
5. De rechtbank overweegt dat uit het gehoor van 21 augustus 2026 om 23.00 uur blijkt dat eiser geen antwoord heeft willen geven op de gestelde vragen totdat hij zou worden bijgestaan door een advocaat. Desondanks is de minister begonnen met het gehoor, omdat twee uren waren verstreken sinds de piketmelding.
6. De minister laat in haar reactie van 1 september 2026 weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
7. Op grond van paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) worden de piketcentrale of de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling indien de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en mag met het gehoor zonder bijzijn van een advocaat worden begonnen indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.
8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) vangt de wachttijd van twee uur, als bedoeld in paragraaf A5/6.5 van de Vc, aan zodra de minister de piketmelding naar de piketcentrale heeft verzonden. Twee uur is voldoende voor de piketcentrale om het bericht door te zetten aan de advocaat en voor de advocaat om zich te melden. De vaste gedragslijn van de minister, welke volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2022, betekent dat als de piketmelding buiten openingstijden wordt verzonden aan de piketcentrale, altijd pas vanaf 9.00 uur met het gehoor van een vreemdeling mag worden begonnen, zodat er ook in deze situatie altijd twee uur is voor de piketcentrale om het bericht door te zetten en voor de advocaat om zich te melden.
9. In eisers geval heeft de minister op 21 augustus 2026 om 20.50 uur een piketmelding verzonden en heeft twee uren gewacht totdat zij aan het gehoor begonnen om 23.00 uur. Echter is de piketdienst tussen 20.00 en 7.00 uur gesloten, waardoor de piketmelding pas de volgende dag, 22 augustus 2026, om 7.00, zou worden doorgezet. Zoals hiervoor is overwogen had de minister pas op 22 augustus 2026 om 9.00 uur mogen beginnen met het gehoor, zodat twee uren waren verstreken waarin de piketcentrale de piketmelding ook daadwerkelijk had kunnen doorzetten aan de piketadvocaat en deze piketadvocaat zich had kunnen melden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de benodigde wachttijd van twee uur niet juist in acht heeft genomen, waardoor eiser in zijn belangen is geschaad.
10. Het schenden van het recht op rechtsbijstand is een ernstig gebrek. Gelet op de aard van de maatregel en omdat niet is gebleken van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van de minister die aanleiding kunnen geven om aan dat gebrek voorbij te gaan, valt de belangenafweging uit in het voordeel van eiser. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser vanaf aanvang onrechtmatig is.
11. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
Conclusie
12. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond.
13. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig.
14. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 september 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.