RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49316
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
Procesverloop
In het besluit van 25 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1989 en stelt de Georgische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 juli 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Per 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
3. In dit geval heeft verweerder op 31 juli 2026 een kennisgeving van terugname gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Op 5 augustus 2026 hebben de Duitse autoriteiten de terugname bevestigd. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder op geen enkele wijze in het bestreden besluit duidelijk heeft gemaakt op welke grond Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft Frankrijk ook geen kennisgeving van terugname gestuurd, noch heeft Frankrijk de terugname van eiser bevestigd.
5. De rechtbank volgt eiser in zijn beroepsgrond. In het bestreden besluit is overwogen dat uit Eurodac blijkt dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Frankrijk. Deze informatie is niet in het dossier terug te vinden. Bovendien heeft verweerder aan Duitsland een kennisgeving tot terugname gestuurd en heeft Duitsland hiermee ingestemd. Reeds op grond hiervan is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
6. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.