RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30217
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers)
en
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, in beginsel ervan uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
3. Verweerder heeft de rechtbank op 12 augustus 2026 schriftelijk bericht dat eiser volgens de informatie in de Basis Voorziening Vreemdelingen met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding van het bericht van verweerder van 12 augustus 2026, heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om binnen vijf werkdagen kenbaar te maken wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. Tot op heden heeft de gemachtigde van eiser niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Met deze vaststelling alleen kan niet worden volstaan, omdat op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar moet worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat terugkeer van eiser naar Somalië in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling).
6. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in deze zaak in deze zaak niet gebleken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de gestelde problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk zijn gemaakt. Uit wat eiser in beroep heeft aangevoerd, kan niet onmiskenbaar worden afgeleid dat verweerders beoordeling van de situatie van Al-Shabaab in Somalië geen stand houdt.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.