RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser en [eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.46093 en NL26.46095
Mede ten behoeve van hun minderjarige kind,
[minderjarige] , V-nummer: [V-nummer 3]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
Procesverloop
In de besluiten van 5 augustus 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers, mede gedaan namens hun minderjarige zoon [minderjarige] , niet in behandeling genomen.
Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum 1] 1999, eiseres op [datum 2] 1999 en hun zoon op [datum 3] 2025. Allen hebben de Turkse nationaliteit. Zij hebben op 20 mei 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMbV). Echter, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.
3. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder op 20 juli 2026 een kennisgeving van terugname gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Op 22 juli 2026 hebben de Duitse autoriteiten de terugname bevestigd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvragen onverplicht in behandeling te nemen.
Horen
4. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij hun aanvragen op 20 mei 2026 hebben ingediend. Dat betekent dat zij onder de Dublinverordening vallen en ten onrechte niet zijn gehoord. Dit levert volgens eisers een zorgvuldigheidsgebrek op.
5. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voerde de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, op grond van artikel 5 van de Dublinverordening een persoonlijk onderhoud met de persoon die een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit moest gebeuren voordat een besluit tot overdracht werd genomen. Met de invoering van de AMbV is dit beperkt tot overnameverzoeken. Bij terugname wordt in beginsel direct een kennisgeving verstuurd. Werkinstructie 2026/17 bepaalt op pagina 10 over de noodzaak tot horen: “De algemene regel is dat in terugname zaken niet wordt gehoord. Van deze algemene regel wordt afgeweken wanneer er sprake is van een NBM (niet begeleide minderjarigen).” Verweerder was dus niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te beleggen. Verweerder heeft kunnen volstaan met het bieden van de gelegenheid om schriftelijk bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar te maken.
Nader onderzoek
6. In artikel 43, eerste lid, van de AMbV is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest is één van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben.
7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
8. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Duitsland het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij betrekt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 februari 2025. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Duitsland eisers asielaanvragen zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan zou moeten blijken dat verweerder niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De enkele stelling dat verweerder nader onderzoek had moeten doen in het kader van artikel 3 van het EVRM is daartoe onvoldoende.
Medische omstandigheden
9. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het ook bij medische problemen aan de vreemdeling om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt. Volgens voornoemd beginsel mag ervan worden uitgegaan dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan de Opvangrichtlijn passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het aan de betrokken asielzoeker is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt als bedoeld in het arrest C.K. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de vreemdeling om dit risico met recente objectieve medische informatie van zijn of haar behandelaren te onderbouwen. De vreemdeling moet aantonen dat er sprake is van een bijzonder slechte gezondheidssituatie en dat de overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn of haar gezondheid zal leiden. De rechtbank stelt vast dat eisers geen medische stukken hebben overgelegd die de gezondheidssituatie van eisers nader onderbouwen en waaruit blijkt dat sprake is van aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor eisers indien zij worden overgedragen aan Duitsland.
Indirect refoulement
10. Nu verweerder, gelet op het voorgaande, terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eisers bij overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvragen in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eisers na zijn overdracht aan Duitsland problemen ervaren bij de opvang- of asielprocedure, kunnen zij daarover klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat verweerder eisers mag overdragen aan Duitsland.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.