RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1991, van Algerijnse nationaliteit,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13690
v-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 5 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Op 7 juli 2026 is het onderzoek heropend en zijn partijen per brief geïnformeerd dat de behandeling zal worden voortgezet door een andere rechter. Aan partijen is de gelegenheid geboden om binnen één week aan de rechtbank te laten weten of zij gelet daarop nogmaals op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft hierop geen reacties ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang.
Op 4 mei 2026 heeft de rechtbank van de minister een bericht ontvangen. Daarin heeft de minister meegedeeld dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft bevestigd dat eiser als MOB (vertrokken met onbekende bestemming) geregistreerd staat.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd toegelicht dat hij voor het laatst op 15 april 2026 contact heeft gehad met zijn cliënt eiser. Op 22 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser de zittingsdatum aan eiser doorgegeven per Whatsapp. De gemachtigde van eiser nam toen waar dat dit bericht niet bij eiser aankwam. Volgens de gemachtigde van eiser heeft hij eiser nadien niet meer kunnen bereiken, dus ook niet sinds de zogenoemde MOB-melding van 4 mei 2026.
De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, zal de bestuursrechter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Zolang de gemachtigde van de vreemdeling contact heeft met de vreemdeling, mag ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. Voor de beoordeling van het procesbelang is het niet-verschijnen van de vreemdeling ter zitting op zichzelf niet van betekenis. Een vreemdeling heeft belang bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van ná de MOB-melding blijkt dat zij nog contact onderhouden over de procedure.
Eiser is op 4 mei 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Ter zitting van
21 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij al sinds 22 april 2026 en in ieder geval vanaf 4 mei 2026 geen contact meer met eiser heeft gehad. De rechtbank oordeelt op basis van deze omstandigheden dat eiser kennelijk geen belang meer hecht aan het voeren van de onderhavige procedure. Om die reden verklaart de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.