RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48554
[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1989, v-nummer: [V-nummer] , namens zijn minderjarig kind
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2014, v-nummer: [V-nummer] , eiser,
beiden met de Sierra-Leoonse nationaliteit
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
(gemachtigde: mr. J. Sanchez).
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 6 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] , mr. G.J. Dijkman als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en J. Singh als tolk.
Overwegingen
2. Op 4 april 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor afgifte van een mvv in het kader van nareis. Eiser beoogt verblijf bij zijn vader [referent] (referent), die de Sierra Leoonse nationaliteit heeft en op 10 januari 2021 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Besluitvorming
De minister heeft eisers aanvraag afgewezen omdat hij zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft eiser de relatie met zijn in Sierra Leone achterblijvende moeder, die een toestemmingsverklaring moet ondertekenen, niet aannemelijk gemaakt. De minister is niet overgegaan tot het doen van nader onderzoek naar de identiteit van eiser en naar de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde biologische moeder, aangezien er volgens de minister geen sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent op het peilmoment.
Met betrekking tot het standpunt dat er geen sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent heeft de minister het volgende van belang geacht. De samenwoonperiode tussen eiser en referent is onvoldoende aannemelijk gemaakt, want hierover is tegenstrijdig verklaard. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij intensief contact heeft gehad met eiser. Ook heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat hij financieel of medisch voor eiser heeft gezorgd tot het peilmoment. Ten slotte stelt de minister dat de intentie om een feitelijke gezinsband in de toekomst vorm te willen geven onvoldoende is. Bij nareis moet immers sprake zijn van een feitelijke gezinsband bij binnenkomst van de referent. Nareis is bedoeld om het gezinsleven te herstellen zoals dat bestond voor de vlucht.
Beoordeling door de rechtbank
Gezinsleven
Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat ten aanzien van het peilmoment onvoldoende is gekeken naar de intentie die er was om het gezinsleven vorm te geven. Deze intentie is volgens eiser van belang voor de beoordeling van de vraag of er toen gezinsleven was. De minister heeft dat volgens eiser ten onrechte miskend en ten onrechte overwogen dat dit niet relevant is in de beoordeling. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 1 augustus 2022 waarin volgens eiser meer ruimte wordt gegeven. Eiser wijst op rechtsoverweging 66, waarin staat: ‘Voor het bestaan van een werkelijk gezinsleven moet echter worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van een gezinsband of van de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden.’ Hieruit blijkt volgens eiser dat het toetsingskader van de minister onjuist is en dat in Werkinstructie 2024/4 een te strakke lijn wordt gehanteerd.
De rechtbank volgt eiser niet in voorgaand standpunt en zal dat hieronder uitleggen.
Uit artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de minister een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen aan de gezinsleden die op het tijdstip van binnenkomst van een referent behoorden tot diens gezin. De minister heeft met dit vereiste op juiste wijze invulling gegeven aan artikel 9, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, waaruit volgt dat lidstaten de toepassing van hoofdstuk V van die richtlijn kunnen beperken tot vluchtelingen wier gezinsband al vóór binnenkomst bestond. Dit betekent dat de minister de nareisaanvraag mag afwijzen als er op het peilmoment, het moment van de inreis van de referent (8 juni 2018), geen feitelijke gezinsband is tussen een vreemdeling en die referent.
In Werkinstructie 2024/4 is het beleid als volgt geformuleerd: ‘Als het kind niet is geboren tijdens het huwelijk of een daarmee gelijk te stellen relatie beoordeel je de feitelijkeinvulling van de relatie tussen het kind en de ouder. Als er geen sprake was van een feitelijke gezinsband op het peilmoment wijs je de aanvraag altijd af. Dit geldt ook als er sprake was van een overmachtssituatie. Nareis is namelijk bedoeld om het gezinsleven te herstellen zoals dat bestond voor de vlucht (zie de inleiding van deze WI). Als er geen feitelijk gezinsleven was op het peilmoment is er ook niets om te herstellen.’
De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag of de minister gelet op de uitspraak van het Hof van 1 augustus 2022 het beleid te nauw heeft geformuleerd in Werkinstructie 2024/4 niet relevant is in deze zaak. Ongeacht het antwoord op die vraag is deze eventuele ruimere interpretatie namelijk niet van toepassing op de situatie van eiser. De uitspraak van het Hof gaat over een situatie waarin er in het verleden gezinsleven is geweest, dat gezinsleven verbroken is en waarin aan herstel wordt gewerkt. In de zaak van eiser daarentegen heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft laten zien dat feitelijk gezinsleven ooit heeft bestaan tussen hem en zijn vader omdat referent dermate tegenstrijdig heeft verklaard over de samenwoning dat het gezinsleven niet aannemelijk is geacht. Het is in deze zaak bovendien niet gebleken dat op het peilmoment daadwerkelijk sprake was van een intentie om het gezinsleven vorm te geven. Voor zover dat relevant zou kunnen zijn, is dat in deze zaak dus niet aan de orde.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen over de samenwoning. Zo heeft referent bijvoorbeeld verklaard dat eiser na zijn geboorte bij zijn biologische moeder heeft gewoond, en dat referent de zorg over hem had. Ook heeft referent aangegeven dat eiser een periode van zes maanden tot een jaar bij hem zou hebben gewoond, maar dat het geen onafgebroken periode betrof. Daarna heeft referent verklaard dat dit wel het geval is geweest. Vervolgens heeft referent tijdens de schriftelijke hoorzitting verklaard dat hij met eiser samenwoonde rond 2015/2016 en dat dit zou gaan om een periode van meer dan een halfjaar en niet voortdurend. Verder heeft referent verklaard dat hij eiser pas vanaf 2016 als zoon heeft geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voorgaande vage en tegenstrijdige verklaringen aan referent mogen tegenwerpen en mogen meewegen in het standpunt dat referent niet heeft laten zien dat feitelijk gezinsleven ooit heeft bestaan tussen hem en zijn zoon.
Ook de verklaringen van referent dat hij eiser financieel heeft ondersteund door het (mee)betalen aan zijn school en schoolspullen heeft de minister onvoldoende mogen vinden om te kunnen spreken van feitelijk en daadwerkelijk gezinsleven. De minister heeft niet aannemelijk geacht dat deze ondersteuning pas na het peilmoment heeft plaatsgevonden, aangezien het financiering van school(spullen) betrof en eiser pas na het peilmoment leerplichtig is geworden. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen.
Ten slotte is door eiser in dit kader aangevoerd dat referent en eiser ten tijde van het peilmoment wel degelijk de intentie hadden om feitelijk en daadwerkelijk gezinsleven op te bouwen en dat deze intentie ook voldoende kan zijn om te kunnen spreken van gezinsleven in de zin van de richtlijn. De rechtbank is ten aanzien van deze stelling van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat de gestelde intentie onvoldoende concreet is gemaakt en onvoldoende is onderbouwd. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, anders dan de enkele stelling, die deze intentie nader hebben ingevuld. De minister heeft dan ook mogen concluderen dat de enkele stelling dat de intentie er is, onvoldoende is om te kunnen spreken van gezinsleven. Het enige concrete feit dat naar voren is gebracht waaruit die intentie zou kunnen blijken, is de gestelde financiële ondersteuning door referent in het kader van eisers school. Deze ondersteuning zou echter hebben plaatsgevonden na het peilmoment en een intentie die na het peilmoment is ontstaan, kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van werkelijk gezinsleven.
Kosten DNA-onderzoek
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte geen reden heeft gezien om de kosten voor het DNA-onderzoek te vergoeden. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Zoals volgt uit de Werkinstructie 2025/5 wordt een DNA-onderzoek door de minister gefinancierd, als het onderzoek ook door de minister is aangeboden. Als de vreemdeling zelf een DNA onderzoek opstart komen deze kosten voor eigen rekening. In de zaak van eiser is door de minister geen DNA-onderzoek aangeboden omdat de uitslag van zo’n onderzoek geen verschil zou maken voor de uiteindelijke uitkomst van deze zaak. Desondanks heeft eiser zelf een DNA-onderzoek laten uitvoeren. De uitslag van dit onderzoek heeft er niet toe geleid dat de minister tot een ander oordeel is gekomen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grondslag waarop de minister verplicht zou zijn om het door eiser opgestarte DNA-onderzoek te vergoeden.
Redelijke termijn
Tenslotte stelt eiser zich op het standpunt dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn aanvangt op de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en doorloopt tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. De behandeling van een zaak als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar duren: de bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als zij meer dan anderhalf jaar heeft geduurd.
Op 21 december 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 29 september 2025 is het bestreden besluit genomen. Dit betekent dat de bezwaarfase 1 jaar en 9 maanden heeft geduurd. Vanaf 21 december 2023 tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn ruim 2,5 jaar, namelijk bijna 31 maanden, verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Eiser krijgt daarom een schadevergoeding.
Gelet op vaste rechtspraak wordt een schadevergoeding toegekend van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn wordt overschreden door het bestuursorgaan en/of de bestuursrechter. De redelijke termijn is gelet op het voorgaande overschreden met bijna 7 maanden. Afgerond naar boven is dat 2x een half jaar. Er is geen rechtvaardiging voor het overschrijden van de redelijke termijn. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank aan eiser een schadevergoeding van € 1.000,- toekennen.
Vervolgens moet beoordeeld worden aan wie de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding, gelet op de duur van de bezwaarfase, aan de minister toe te rekenen is. Voor rekening van de minister komt dan ook € 1.000,-
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen proceskostenvergoeding voor zijn beroep en krijgt het griffierecht niet terug.
De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat aan eiser wel een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor proceskosten die in verband staan met het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten zijn vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de minister kan worden toegerekend, wordt de minister in deze proceskosten veroordeeld.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.