RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50020
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 28 augustus 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 4 september 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 juni 2026 (in de zaak NL26.33356) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Hiertoe voert hij aan dat dit niet kan worden aangenomen nu een reactie van de Marokkaanse autoriteiten uit blijft ondanks het schriftelijk rappelleren van verweerder.
5. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Marokko eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 8 juni 2026. De situatie is sindsdien niet zodanig veranderd dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Verder is niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank stelt vast dat het LP-traject van eiser nog loopt en dat verweerder regelmatig rappelleert. De rechtbank heeft op dit moment geen aanleiding om te treden in de beleidsruimte waarover verweerder beschikt waar het gaat om de wijze van rappelleren en presenteren. Uit de voortgangsrapportage van 24 augustus 2026 volgt dat verweerder dit laatstelijk op 20 augustus 2026 nog heeft gedaan.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2026 mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.