[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
V-nummer: [v-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om tijdelijke bescherming op grond van de RTB afgewezen. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek op zitting van het verzoek om voorlopige voorziening achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. In het besluit van 13 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat verzoekster blijkens het Temporary Protection Platform (TPP) in Finland al tijdelijke bescherming heeft op grond van de RTB, en omdat zij niet afhankelijk is van een gezinslid dat in Nederland tijdelijke bescherming heeft.
3. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe te bepalen dat verzoekster niet gedurende de bezwaarprocedure mag worden uitgezet, en dat zij tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist wordt behandeld als ware zij rechthebbende van de RTB zodat zij recht op gemeentelijke opvangvoorzieningen en toegang tot de arbeidsmarkt behoudt. Verzoekster wil bij haar zoon in [woonplaats] blijven wonen.
4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is sprake van spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit is. Uit dit besluit vloeit daarom niet voort dat verzoekster Nederland dient te verlaten. Ook anderszins volgt uit het procesdossier niet dat sprake is van gedwongen verwijdering van verzoekster uit Nederland op korte termijn. Verder blijkt nergens uit dat verzoekster haar verblijf bij haar zoon in [woonplaats] niet kan en mag voortzetten. Om bovengenoemde redenen is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening alleen al daarom wordt afgewezen.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
6. De minister heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 jo. artikel 8, eerste lid, van de RTB volgt dat de aanvraag van verzoekster kan worden afgewezen, omdat zij al tijdelijke bescherming heeft in Finland. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster ook bevestigt dat zij tijdelijke bescherming in Finland heeft. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster daarom geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening ook om die reden wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: