ECLI:NL:RBDHA:2026:25992

ECLI:NL:RBDHA:2026:25992

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 26.39194, 26.39200
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Toepassing AMbV – beperkte rechterlijke toetsing – interstatelijk vertrouwensbeginsel – arrest C.K. – belangen van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

[eiseres], eiseres

[minderjarige],

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.39194 en NL26.39200

V-nummer: [nummer]

en

V-nummer: [nummer]

mede namens hun minderjarige kinderen:

geboren op [geboortedatum] 2018

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2019

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2024

allen van Turkse nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. E. Gorsselink),

en

(gemachtigde: mr. E. Konstapel).

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft.

Procesverloop

2. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1991 en [geboortedatum] 1991. Zij hebben op 2 januari 2026 asielaanvragen als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 7 juli 2026 deze aanvragen niet in behandeling genomen.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft op 4 augustus 2026 aan de minister verzocht een standpunt in te nemen over de toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMb-verordening). De minister heeft dat op 21 augustus 2026 schriftelijk gedaan.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, F.A.L. Boska (1170) als tolk en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving stond in de Dublinverordening en inmiddels, sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact, in de AMb-verordening. Op grond van de AMb-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, zoals in de zaken van eisers het geval is, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

In dit geval zijn eisers begin januari 2026 Nederland vanuit Duitsland ingereisd en heeft Nederland op 26 februari 2026 aan Duitsland verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 3 maart 2026 op diezelfde grondslag aanvaard. De minister heeft daarop op 21 mei 2026 het voornemen uitgebracht om eisers over te dragen aan Duitsland. Eisers hebben op 5 juni 2026 gereageerd op dit voornemen middels hun zienswijze.

In de bestreden besluiten van 7 juli 2026 is de minister bij het voornemen gebleven. De verantwoordelijkheid van Duitsland is in de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Voor het overige heeft de minister de bestreden besluiten gebaseerd op de AMb-verordening. Daarbij heeft hij toegelicht dat deze nieuwe verordening sinds 12 juni 2026 van toepassing is en directe werking heeft, wat volgens de minister betekent dat de meeste (procedure)regels vanaf die datum gelden.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de AMb-verordening toepassen in de zaken van eisers?

4. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het overgangsrecht heeft gehandeld door de AMb-verordening ten grondslag te leggen aan de bestreden besluiten. De asielaanvragen van eisers dateren immers van 2 januari 2026 en op 3 maart 2026 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan met de claimverzoeken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Eisers wijzen op artikel 84, tweede lid, van de AMb-verordening waaruit volgt dat bij verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand van de regels van de Dublinverordening, niet van de AMb-verordening. Het gedurende de procedure met terugwerkende kracht aanpassen van het juridische kader brengt onduidelijkheid met zich mee over de toepasselijke normen voor rechtsbescherming, overdrachtstermijnen en discretionaire bevoegdheden. Volgens eisers had de minister het besluit moeten nemen met inachtneming van het materiële recht en het overgangsrecht zoals dat gold ten tijde van het claimakkoord. De minister heeft daarom ten onrechte artikel 35 van de Amb-verordening toegepast en had volgens eisers artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen.

De rechtbank overweegt allereerst dat de AMb-verordening op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Daarbij is in artikel 85 vermeld dat de AMb-verordening in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. Op 25 november 2025 is laatstgenoemde datum gecorrigeerd naar 12 juni 2026. Dit betekent dat de Dublinverordening met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en dat de AMb-verordening vanaf dat moment van toepassing is geworden. Vanaf het moment waarop de AMb-verordening van toepassing is geworden, dient deze verordening te worden toegepast op onderwerpen die niet onder het toepasselijke overgangsrecht vallen. Verder geldt dat de nationale rechter aan het rechtstreeks toepasselijke Unierecht volle werking moet geven en een daarmee strijdige praktijk zo nodig buiten toepassing kan laten.

Nu de AMb-verordening met ingang van 12 juni 2026 van toepassing is geworden, beoordeelt de rechtbank de door eisers ingestelde beroepen aan de hand van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van deze verordening. Dit artikellid bepaalt dat een verzoeker tegen een overdrachtsbesluit een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen, waarbij de omvang van de rechterlijke toetsing is beperkt tot de in de onder a tot en met c genoemde gronden. De wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 35 van de AMb-verordening is hierin niet genoemd. De rechtbank dient deze bepaling direct toe te passen omdat de AMb-verordening geen overgangsrecht kent ten aanzien van deze bepaling.

De rechtbank overweegt verder dat het een bewuste keuze is van de Uniewetgever om in artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening te bepalen dat de rechtbank niet kan oordelen over de vraag of de minister op de juiste wijze invulling heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De rechtbank ziet hiervoor aanknopingspunten in de toelichting van de Europese Commissie bij het voorstel van 23 september 2020 en de preambule van de AMb-verordening.

Voor zover eisers (ook) hebben bedoeld te betogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen toepassing door de rechtbank van artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening, ziet de rechtbank hiervoor geen aanknopingspunten. Zoals hiervoor is overwogen is de AMb-verordening immers op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd, vervolgens op 11 juni 2024 in werking getreden en van toepassing geworden op 12 juni 2026. Op het moment dat eisers begin januari 2026 Nederland inreisden en hun asielaanvragen in Nederland indienden was de AMb-verordening dus al geruime tijd in werking getreden. In zoverre is van het tijdens de procedure met terugwerkende kracht aanpassen van het juridische kader ten aanzien van de rechtelijke toetsing als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening geen sprake.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of de minister in het geval van eisers ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid, zoals eisers betogen. Dat geldt ook voor het betoog van eisers dat de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening in plaats van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat betoog vergt immers een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening en voor een dergelijke beoordeling is in deze procedure, gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening, geen ruimte. De rechtbank gaat daarom aan dit betoog voorbij.

Houdt de overdracht van eisers een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest in?

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. Daarnaast voeren eisers aan dat het standpunt van de minister dat Duitsland in het algemeen voldoet aan de Europese richtlijnen geen recht doet aan hun concrete, individuele ervaringen waarin de drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo wordt gehaald. Eisers zijn namelijk gedurende hun verblijf in Beieren systematisch uitgesloten van adequate medische zorg en opvangvoorzieningen. Doordat een noodzakelijke medische ingreep bij zoon [naam] een jaar lang is vertraagd, heeft hij blijvende zenuwschade aan zijn vingers opgelopen. Daardoor waren meerdere hersteloperaties nodig. Eisers kregen geen reguliere zorgverzekeringskaart, maar slechts losse A4-formulieren, waardoor zij bij medische instanties stelselmatig werden geweigerd of belemmerd. Daarnaast werd stelselmatig geweigerd een tolk in te zetten bij medische consulten en vaccinaties. Eiseres kampt als gevolg van de opvangsituatie, intimidatie en de voortdurende dreiging van nachtelijke invallen door de politie met een ernstige psychische inzinking en nachtelijke paniekaanvallen. Volgens eisers kan het standpunt van de minister dat zij bij de Duitse autoriteiten hadden moeten klagen, geen standhouden. Zij hebben immers circa twintig verschillende instanties om hulp gevraagd, maar van geen enkele instantie een antwoord ontvangen. Eisers hebben ter onderbouwing van dit standpunt e-mails overgelegd.

Eisers doen met het bovenstaande een beroep op de grond genoemd in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMb-verordening. Deze grond ziet op de beoordeling of de overdracht voor eisers een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren. De rechtbank zal deze beroepsgrond hierna beoordelen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de minister ten aanzien van Duitsland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Wel zijn partijen verdeeld over de vraag of de minister daarvan ook in het specifieke geval van eisers mag uitgaan.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eisers hebben allereerst niet geconcretiseerd en onderbouwd welke ernstige tekortkomingen het Duitse opvang- en asielsysteem kent. De enkele omstandigheid dat hun asielverzoeken zijn afgewezen is daartoe onvoldoende. Eisers hebben verder verklaard dat zij in Duitsland opvang hebben gekregen. Daarnaast heeft de minister eisers mogen tegenwerpen dat zij geen medische gegevens hebben overgelegd van de medische ingreep bij zoon [naam]. Eisers hebben ook anderszins hun betoog niet met (medische) documenten onderbouwd en al daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland zijn uitgesloten van een noodzakelijke medische behandeling dan wel dat sprake was van stelselmatige discriminatie. Daar komt bij dat eisers hebben verklaard dat zij in Duitsland wel toegang hebben gehad tot het zorgsysteem en dat er uiteindelijk ook hersteloperaties zijn verricht vanwege de ontstane zenuwschade bij [naam]. Dit bevestigt het uitgangspunt dat de medische voorzieningen in Duitsland als gelijkwaardig worden beschouwd. Er zijn verder ook geen aanknopingspunten dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres voor haar (psychische) klachten te behandelen.

Gelet op het voorgaande kan ten aanzien van Duitsland ook in het geval van eisers worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat eisers zich bij eventuele problemen dienen te beklagen bij de daarvoor geëigende instanties in Duitsland, dan wel bij de (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eisers zich, voor zover het de medische behandeling en de gestelde uitsluiting betreft, hebben gewend tot de daartoe bevoegde instanties of hogere autoriteiten in Duitsland. Ook is niet gebleken dat deze mogelijkheid ontbreekt of bij voorbaat zinloos is. Weliswaar hebben eisers een aantal e-mails overgelegd, maar van een deel daarvan is onduidelijk aan wie deze zijn geadresseerd. Ook ter zitting hebben eisers dit niet nader kunnen concretiseren. Voor zover de adressant van de e-mails wel duidelijk is, gaat het niet om e-mails aan de Duitse (hogere) autoriteiten maar om e-mails aan rechtsbijstandverleners en Caritas Augsburg, een kerkelijke liefdadigheidsinstelling. Met deze e-mails onderbouwen eisers daarom niet dat klagen bij de hogere autoriteiten in Duitsland bij voorbaat zinloos is, nog daargelaten dat deze Duitse e-mails betrekking lijken te hebben op de afwijzing van hun asielverzoeken in Duitsland. Tot slot weegt de rechtbank mee dat eisers hebben verklaard dat zij in Duitsland niet hebben geklaagd over de gestelde discriminatie.

Beroep op het arrest C.K.

6. Eisers doen verder een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Aan eiseres is namelijk in Nederland op doktersvoorschrift het antipsychoticum quetiapine verstrekt voor de behandeling van haar psychische klachten. Het abrupt onderbreken of wijzigen van deze behandeling vanwege overdracht aan Duitsland leidt in haar geval tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar medische situatie. De minister heeft nagelaten om een medisch onderzoek in te stellen naar de aard van deze medicatie, noodzaak van de continuïteit hiervan en de vraag of de Duitse autoriteiten in de praktijk direct kunnen en zullen voorzien in een naadloze voortzetting van exact deze psychiatrische zorg en medicatietoediening. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest vormen.

De Afdeling heeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een betrokkene objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

De minister hanteert bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. en of er nader medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) nodig is om dit in beeld te brengen een vaste gedragslijn. WI 2026/17 vermeldt dat een BMA-onderzoek wordt opgestart wanneer een vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. En als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand.

De minister heeft in het bestreden besluit kenbaar gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het arrest C.K. In beroep heeft eiseres ter onderbouwing van haar medische situatie een kopie van een afsprakenkaart van GZA overgelegd waaruit volgt dat er op 25 juni 2026 een afspraak bij de POH-GGZ gepland stond. Verder heeft eiseres een (ongedateerde) schriftelijke verklaring van de POH-GGZ overgelegd waarin deze verklaart dat eiseres wordt behandeld voor klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis welke zijn ontstaan na gebeurtenissen in Turkije en Duitsland. Tevens heeft eiseres een doktersvoorschrift voor het medicijn quetiapine overgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat er onvoldoende aanleiding bestaat dat hij zich moet vergewissen van de impact van de overdracht op de gezondheidstoestand, door het BMA nader onderzoek te laten doen. Daarbij acht de rechtbank met de minister van belang dat uit de overgelegde stukken onvoldoende valt op te maken dat specifiek de Dublinoverdracht zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres. Bij het ontbreken van deze informatie, is het enkele feit dat eiseres medicatie gebruikt onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Dat geldt ook voor de niet nader onderbouwde stelling van eiseres ter zitting dat zij als gevolg van een onaangenaam gesprek met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) een paniekaanval heeft gekregen en naar de eerste hulp is gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.

De rechtbank verwijst in dit verband nog naar haar oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook Duitsland draagt zorg voor adequate voorzieningen voor asielzoekers op het gebied van gezondheidszorg. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland niet zou kunnen worden behandeld voor haar eventuele mentale of lichamelijke aandoeningen. Bovendien kunnen met toestemming van eiseres haar medische gegevens worden gedeeld met de Duitse autoriteiten.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen van eisers?

7. Eisers hebben ter zitting tot slot aangevoerd dat in de bestreden besluiten onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van hun kinderen. Zij hebben dit al in de zienswijze aangevoerd en in de beroepsgronden is integraal naar de zienswijze verwezen. Eisers wijzen ter onderbouwing van dit standpunt op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juli 2026.

De rechtbank stelt vast dat eisers in de zienswijze hebben betoogd dat overdracht in hun geval van onevenredige hardheid getuigt, onder meer omdat hun zoon [naam] zenuwschade heeft opgelopen en omdat hun zoon [naam] landloos is. Anders dan eisers stellen heeft de minister deze aspecten betrokken in het bestreden besluit. Daarin heeft de minister – namelijk bij de vraag of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest, welk aspect ook door de rechter in beroep mag worden getoetst – overwogen dat de medische situatie van [naam] niet met documenten is onderbouwd en dat eisers zelf aangeven dat hij in Duitsland is geopereerd vanwege een gebroken arm en dat hij ook een hersteloperatie heeft gehad in verband met de ontstane zenuwschade. Ook is de minister ingegaan op de omstandigheid dat [naam] landloos zou zijn. Hierover stelt de minister in de bestreden besluiten terecht dat eisers dit evenmin met documenten hebben aangetoond en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam] in Duitsland geen recht zou hebben op alle voorzieningen die een pasgeboren kind nodig heeft. Dat de belangen van de kinderen in de besluitvorming onvoldoende zijn betrokken, volgt de rechtbank dan ook niet. Eisers hebben ook geen andere belangen gesteld die de minister onvoldoende zou hebben betrokken en welke gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening binnen de draagwijdte van het beroep vallen. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt de onderhavige situatie al daarom af van de situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, te meer nu uit deze uitspraak blijkt dat de minister in die besluitvorming de belangen van het kind niet kenbaar had betrokken.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de minister hen mag overdragen aan Duitsland. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 september 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand