RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.29050
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1978, van Ghanese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Procesverloop
Met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van 16 april 2024 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Met het besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 1 juli 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De minister heeft het besluit bij brief van 5 augustus 2026 ingetrokken. Ook heeft de minister aangegeven de door eiser gemaakte proceskosten te zullen vergoeden.
Eiser heeft de rechtbank vervolgens verzocht om het beroep te beschouwen als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en de minister op te dragen binnen vier weken te beslissen. De minister heeft hier bij brief van 25 augustus 2026 op gereageerd.
De rechtbank doet met toestemming van partijen uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2025
1. De minister heeft het besluit van 4 juni 2025 ingetrokken en de rechtbank meegedeeld dat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist. Eiser heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 4 juni 2025. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.
Het beroep niet-tijdig beslissen
2. De rechtbank stelt voorop dat het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld moet worden met een besluit. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan daarom beroep worden ingesteld. Dit beroep kan worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is gesteld en er sindsdien twee weken zijn verstreken. De ingebrekestelling kan achterwege blijven als redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.
3. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken zonder direct (opnieuw) een besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken. Omdat de minister ermee bekend is dat na de intrekking van het bestreden besluit de situatie zou ontstaan dat niet tijdig op het bezwaar is beslist, kan redelijkerwijs niet van eiser worden gevergd dat hij voorafgaand aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen de minister in gebreke stelt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is dan ook gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om in beginsel binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. De bestuursrechter kan, in bijzondere gevallen, een andere beslistermijn bepalen.
5. Eiser heeft verzocht om de minister op te dragen binnen vier weken te beslissen. De minister heeft hierop gereageerd met een verzoek om een termijn van twaalf weken te gunnen om een besluit op het bezwaar uit te brengen. De minister stelt dat een termijn van vier weken niet haalbaar is nu de minister voornemens is eiser te horen.
6. Omdat eiser opnieuw gehoord zal worden en er daarna een nieuw besluit genomen moet worden is de rechtbank van oordeel dat de zorgvuldigheid om dit proces te doorlopen voor de minister enerzijds en anderzijds het belang van eiser om niet onnodig lang op een besluit te wachten, ertoe noopt dat de minister binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit neemt. De rechtbank bepaalt dan ook dat de termijn voor de minister om opnieuw te beslissen wordt vastgesteld op acht weken.
Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de gestelde beslistermijn van twee weken overschrijdt. Omdat de 21-maandentermijn is overschreden stelt de rechtbank de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag tot een maximaal bedrag van € 15.000,-. De rechtbank past het beleid toe zoals dat staat vermeld op rechtspraak.nl en sluit zich niet aan bij de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht van 21 mei 2026.
Proceskosten
7. Omdat de minister aangeboden heeft de proceskosten te zullen vergoeden, ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenvergoeding uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.