RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49824
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en
(gemachtigde: mr. P. van Ittersum).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van heden. De rechtbank kent ook een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat deze nodig is, omdat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Zijn er voldoende gronden om de maatregel te kunnen dragen?
5. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de motivering van de gronden p, r en s aan de orde gesteld, die volgens de minister leiden tot de conclusie dat sprake is van een onderduikrisico. Bij ieder van deze gronden moet de minister immers, naast de feitelijke toelichting, nader motiveren waarom die grond tot het oordeel leidt dat een risico op onderduiken bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende gedaan.
In de maatregel staat namelijk bij deze gronden, ten aanzien van de motivering van het onderduikrisico, het volgende:
Ten aanzien van grond p:
“Zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden
(…)
Voor zover op betrokkene een vertrekplicht en een daarbij behorende vertrektermijn van toepassing waren, wordt tevens meegewogen dat hij Nederland niet binnen die termijn uit eigen beweging heeft verlaten.
Het niet of niet tijdig nakomen van op betrokkene rustende vreemdelingenrechtelijke verplichtingen kan worden betrokken bij de beoordeling van het risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze omstandigheden kunnen erop wijzen dat betrokkene zich niet steeds overeenkomstig de op hem rustende verplichtingen beschikbaar heeft gehouden voor het vreemdelingentoezicht.
Of hieruit tevens kan worden afgeleid dat betrokkene een terugkeer- of overdrachtsprocedure zal ontwijken of belemmeren, dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen onder meer zijn verklaringen over het niet nakomen van de betreffende verplichtingen, zijn huidige medewerking aan het toezicht en zijn bereidheid om mee te werken aan een eventuele overdracht in het kader van de Dublinprocedure worden betrokken.”
Ten aanzien van grond r:
“Geen vaste woon- of verblijfplaats heeft
(…)
Het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats kan worden betrokken bij de beoordeling van het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht. Een vaste en bij de bevoegde autoriteiten bekende verblijfplaats kan immers van belang zijn voor de bereikbaarheid van betrokkene en voor zijn beschikbaarheid ten behoeve van het toezicht en een eventuele overdrachtsprocedure.
Indien betrokkene niet beschikt over een vaste dan wel anderszins bij de autoriteiten bekende verblijfplaats, kan deze omstandigheid, in samenhang met de overige feiten en omstandigheden, een aanwijzing vormen voor een risico op onttrekking aan het toezicht.”
Ten aanzien van grond s:
“Niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
(…)
Gelet op het voorgaande is vooralsnog niet gebleken dat betrokkene over voldoende en zelfstandig beschikbare middelen van bestaan beschikt. Deze omstandigheid kan worden betrokken bij de beoordeling van het risico op onttrekking aan het toezicht.
Het ontbreken van voldoende middelen van bestaan betekent op zichzelf echter niet dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken of niet zal meewerken aan een eventuele overdracht. Bij die beoordeling dienen ook de overige concrete feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder zijn verblijfssituatie, bereikbaarheid, documentatie, eerdere gedragingen en zijn verklaringen en houding ten aanzien van de Dublinprocedure.”
Deze motiveringen komen erop neer dat de genoemde gronden ‘kunnen worden betrokken’ bij de beoordeling van het onderduikrisico of benoemen welke omstandigheden nog meer zouden kunnen worden betrokken bij die beoordeling. Wat echter ontbreekt bij alle drie deze gronden is een motivering waarom de grond op eiser van toepassing is en waarom daaruit voor eiser een risico op onderduiken voortvloeit. De motivering is dus niet op eiser toegespitst, hetgeen wel vereist is. Ook op de zitting kon de gemachtigde van de minister desgevraagd niet nader motiveren waarom deze gronden specifiek op eiser van toepassing zijn.
Dat betekent dat deze gronden met de gegeven motivering niet aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd. Alleen de a-grond, waarbij de feitelijke juistheid klopt en geen nadere motivering door de minister hoefde te worden gegeven, is onvoldoende om de maatregel te kunnen dragen. Dat betekent dat de bewaring vanaf het moment van oplegging daarvan onrechtmatig is.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven en voor verdere ambtshalve toetsing geen aanleiding is.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.240,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser, vanwege de kennisgeving, geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.240,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.