ECLI:NL:RBDHA:2026:26002

ECLI:NL:RBDHA:2026:26002

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer NL25.6909
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Regulier. Visum kort verblijf. Syrische nationaliteit. Vragenlijst visumaanvraag. Sociale en economische binding. Pensioen. Onroerend goed. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], geboren op [geboortedag 1] 1959, met de Syrische nationaliteit, eiser

[eiseres], geboren op [geboortedag 2] 1959, met de Syrische nationaliteit, eiseres

hierna tezamen aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.K. Ruizendaal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum voor kort verblijf bij [referent] (referent).

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Besluitvorming

3. Referent, geboren op [geboortedag 3] 1990, is de zoon van eisers. Eisers willen hem graag bezoeken in Nederland. Eisers hebben op 22 maart 2023 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op 5 april 2023. Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en heeft de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf door eisers. onvoldoende zijn aangetoond De visumaanvragen zijn verder afgewezen omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers (tijdig) het Schengengebied zullen verlaten. Verweerder heeft bij de afwijzing ook betrokken dat eisers de ‘vragenlijst visumaanvraag’ niet hebben ingediend.

Toetsingskader

4. Een aanvraag voor een visum voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge.

Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

Standpunt en beoordeling door de rechtbank

Sociale en economische binding

5. Eisers voeren aan dat zij van pensioengerechtigde leeftijd zijn en een zeer intensief sociaal leven hebben in Syrië. Zij stellen dat het hun bedoeling is om enkele weken naar Nederland te komen zodat zij hun zoon kunnen bezoeken, waar zij reeds jarenlang intensief contact mee hebben, om daarna weer naar Syrië terug te keren. Eisers stellen verder dat zij zichzelf niet zien als vluchtelingen en dat zij niet de intentie hebben in Nederland een asielaanvraag in te dienen. Om hun binding met Syrië nader toe te lichten is het volgens eisers van belang om te benadrukken dat referent voor hen een visum voor kort verblijf voor Rwanda heeft kunnen regelen, zodat eisers hun andere zoon [naam] daar konden bezoeken. Eisers hebben echter geprefereerd om in Syrië te blijven en hebben zodoende geen gebruik gemaakt van dit visum.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voldoende sociale binding hebben met Syrië. Verweerder heeft daarbij onder meer kunnen betrekken dat voor eisers geen sociale band met Syrië bestaat voor wat betreft een eigen achterblijvend gezin waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen. Zo woont referent in Nederland en blijkt hun zoon [naam] te wonen en te werken in Rwanda. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat ook niet is gebleken dat eisers de zorg dragen voor andere (directe) familieleden of dat zij in staat zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zouden dwingen tijdig naar Syrië terug te keren. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een maatschappelijke functie binnen hun gemeenschap of het verrichten van vrijwilligerswerk. Daarnaast hebben eisers in beroep aangevoerd dat zij in Syrië een zeer intensief sociaal leven hebben. Deze stelling hebben zij echter niet met stukken onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van verklaringen van familieleden of vrienden. Dat eisers verder geen gebruik hebben gemaakt van het visum voor kort verblijf in Rwanda en er de voorkeur aan hebben gegeven in Syrië te blijven, betekent niet zonder meer dat daarmee sprake is van sociale binding met Syrië. Aan de keuze van eisers om niet naar Rwanda te reizen kunnen immers ook andere redenen ten grondslag hebben gelegen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de economische binding dat eisers de tegenwerpingen van verweerder hierover in het bestreden besluit niet hebben bestreden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de economische binding van eisers met Syrië onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken, omdat niet is gebleken dat eisers over een regelmatig en substantieel inkomen in Syrië beschikken waarmee zij zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Verweerder heeft daarbij onder meer gewezen op het ontbreken van pensioenspecificaties en bankafschriften ter onderbouwing van de gestelde pensioeninkomsten van eiseres en op het ontbreken van aanwijzingen dat haar aanwezigheid in Syrië noodzakelijk is om deze inkomsten te behouden. Ook ten aanzien van het door eisers overgelegde stuk betreffende onroerend goed in Syrië heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat hun(tijdige) aanwezigheid in Syrië daarvoor is vereist. Nu eisers deze tegenwerpingen van verweerder niet hebben bestreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen en gaat zij daarvan uit.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder eisers in de bezwaarfase in de gelegenheid heeft gesteld om door middel van de toegezonden vragenlijsten hun visumaanvragen nadere toelichting te geven op onder meer hun persoonlijke omstandigheden, woonsituatie, reisdoel, de relatie met referent en hun werk en inkomen. Eisers hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ook in zoverre heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat aan de voorwaarden voor visumverlening wordt voldaan.

Gelet op het bovengenoemde heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eisers een zodanige sociale en economische binding hebben met Syrië dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen behoeft de andere weigeringsgrond, namelijk dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond door eisers, geen bespreking.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen het griffierecht daarom niet terug. Ook is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N. Boonstra

Griffier

  • mr. A.S. Hayas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand