ECLI:NL:RBDHA:2026:26008

ECLI:NL:RBDHA:2026:26008

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer NL26.21992
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel; Libië; vrees voor vervolging; agnosticisme; afvalligheid; 3 EVRM bij terugkeer; ambtsbericht; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [X] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21992

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),

en

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Ten slotte volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat eiser ook geen reëel risico loopt op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Libië. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Het asielrelaas

4. Eiser heeft de Libische nationaliteit. Hij is Libië in 2024 ontvlucht omdat hij afvallig is van de Islam. Eiser is zichzelf hierna gaan beschouwen als agnost. Eiser heeft zijn afvalligheid niet bij anderen of in het openbaar geuit en heeft dit enkel geuit op anonieme social media-accounts door het plaatsen van kritische berichten en reacties. In Nederland is eiser er gewend aan geraakt dat hij eerlijk kan zijn over zijn afvalligheid. Hierdoor lukt het volgens eiser niet meer om in Libië terughoudendheid te tonen over dit onderwerp. Eiser vreest bij terugkeer naar Libië gevangen te worden gezet, gemarteld te worden of geëxecuteerd te worden als hij niet meer terughoudend is over zijn afvalligheid.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- afvalligheid van de Islam.

De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of deze reden geven om aan eiser een asielvergunning te verlenen. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister wijst eisers asielaanvraag daarom af als ongegrond.

Heeft eiser een gegronde vrees voor vervolging?

6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Eisers afvalligheid is wel degelijk onderdeel van zijn religieuze identiteit. Dat geloofwaardig is dat eiser agnost en daarmee afvallig is, betekent dat zijn nieuwe levensovertuiging een wezenlijk onderdeel uitmaakt van zijn religieuze identiteit. Eiser heeft verklaard over zijn interne bekeringsproces en heeft een interne strijd gevoerd om af te komen van zijn islamitische angstgevoelens. Daarnaast ervoer eiser psychische druk door het moeten conformeren aan de islamitische leefregels. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser zijn afvalligheid in Libië niet zal uiten op een manier die hem aan vervolging blootstelt. Ook heeft eiser in de zienswijze gewezen op toegenomen monitoring op uitingen van afvalligheid door de Libische autoriteiten. De minister heeft dan ook miskend dat het risico op ontdekking van zijn overtuigingen aanzienlijk is toegenomen. Ook kan niet van eiser verwacht worden dat hij kan aantonen dat mogelijk andere asielzoekers zijn afvalligheid bij de Libische autoriteiten of één van de milities, of hun familieleden bekend hebben gemaakt. De minister heeft ook ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt problemen te hebben ondervonden in Libië omdat zijn uitingen over de Islam op social media anoniem zouden zijn.

Uit het beleid van de minister volgt dat de omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland onvoldoende aanleiding vormt om hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel. Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid vormt namelijk een daad van vervolging. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de minister, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd. De minister weegt hierbij in ieder geval mee dat de vreemdeling, die een geloofsovertuiging aanhangt, de uitingen van zijn geloofsovertuiging in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloofsovertuiging verborgen heeft gehouden. Ook mag de minister niet van de vreemdeling verwachten dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn afvalligheid. De rechtbank is het namelijk met de minister eens dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn religieuze identiteit. Eiser heeft zich ten eerste in Libië niet actief als afvallige geuit, en in Nederland uit hij zich niet wezenlijk anders. Het enkele gegeven dat eiser in Nederland antwoordt ongelovig te zijn als hem hiernaar wordt gevraagd, heeft de minister terecht onvoldoende gevonden. Dat eiser zich in Nederland niet meer aan de islamitische leefregels conformeert, leidt ook niet tot een andere conclusie. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk onvoldoende dat hij er in Libië zodanig veel moeite mee had om deel te nemen aan de islamitische rituelen dat het niet hoeven deelnemen daaraan van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Eiser heeft immers verklaard dat hij er na verloop van tijd aan gewend was geraakt om aan de rituelen mee te moeten doen. Ook heeft de minister terecht gewezen op eisers verklaring dat hij zich in Libië na verloop van tijd bevrijd voelde van zijn opvoeding en de Islam. Deze verklaring wijst er niet op dat eiser er problemen mee had om ondanks zijn afvalligheid conform de islamitische leefregels te moeten leven. Eisers betoog dat zijn afvalligheid om die reden onderdeel is van zijn religieuze identiteit, wordt dan ook niet gevolgd. Verder heeft de minister er tijdens de zitting terecht op gewezen dat eiser er in Nederland simpelweg eenvoudiger voor kan kiezen om zich niet meer aan de islamitische leefregels te conformeren. Ook om die reden is de enkele omstandigheid dat hij dit niet meer doet onvoldoende om eisers afvalligheid als onderdeel van zijn religieuze identiteit te beschouwen. Ten slotte is de rechtbank het met eiser eens dat een behoefte om anderen te overtuigen niet vereist is om een geloofsovertuiging als een belangrijk onderdeel van iemands religieuze identiteit te beschouwen, maar uit het besluit blijkt niet dat de minister die omstandigheid als zodanig heeft tegengeworpen. De minister heeft die omstandigheid enkel – en terecht – niet in eisers voordeel betrokken.

Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn religieuze identiteit, mag de minister van hem verwachten dat hij terughoudend is in het uiten van zijn afvalligheid bij terugkeer naar Libië. Dit heeft eiser daar ook acht jaar lang gedaan, zonder dat hij problemen heeft ervaren. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Libische autoriteiten op de hoogte zijn van zijn afvalligheid door anonieme activiteiten op social media. Eiser heeft enkel gewezen op algemene informatie zoals de Libische anti-cybercrime wetgeving, de verplichte persoonsregistratie bij het verkrijgen van een SIM-kaart, de mogelijkheid om internetactiviteiten te monitoren en de mogelijkheid van telefooncontroles. Dergelijke informatie is echter onvoldoende om te onderbouwen dat de Libische autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de afvalligheid van eiser en hij daardoor te vrezen heeft. Bovendien heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser verklaart dat hij al in Libië is begonnen met deze activiteiten op social media, dat zijn telefoon al eens gecontroleerd is en dat hij hier tot op heden geen problemen door heeft ondervonden. Het is dan ook onvoldoende gebleken dat eiser door zijn afvalligheid problemen zal ervaren met de Libische autoriteiten bij terugkeer.

Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld?

7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser werkt samen met zijn vader aan diverse bouwprojecten in zijn regio van herkomst, en moet om die reden meer reizen dan anderen. Er is volgens eiser om die reden sprake van risico-verhogende omstandigheden, waardoor hij meer risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. De enkele stelling dat eiser vaker moet reizen – zonder nadere toelichting over hoe vaak en waarheen – is onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat eiser door het reizen vaker langs controleposten zal komen, maar ook dit is onvoldoende concreet. Bovendien heeft de minister er tijdens de zitting terecht op gewezen dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat het bedrijf van zijn vader weliswaar ondernemingen in meerdere steden heeft, maar dat hij zelf alleen in [plaats] werkt.

Loopt eiser een reëel risico op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling?

8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen reëel risico loopt op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Libië. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat personen die terugkeerden naar Libië te maken konden krijgen met langdurige ondervragingen op het vliegveld en arrestaties, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser geen reëel risico loopt op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Libië. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij hiervoor te vrezen heeft bij terugkeer. Hoewel inderdaad in het ambtsbericht informatie wordt genoemd waaruit blijkt dat personen die terugkeren naar Libië te maken konden krijgen met de door eiser genoemde problemen, is deze informatie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om op basis daarvan de conclusie te trekken dat iedere terugkeerder een willekeurig, reëel risico loopt op deze problemen. Zo blijkt uit de betreffende passage dat de informatie afkomstig is van één bron en is de omvang van het door die bron gestelde risico onduidelijk en niet gespecificeerd. Bovenaan de passage wordt bovendien uitdrukkelijk benoemd dat er bij gebrek aan concrete informatie geen duidelijk beeld kan worden geschetst van de risico’s die (gedwongen) terugkeer naar Libië met zich meebrengt. Uit hetzelfde hoofdstuk van het ambtsbericht komt wel de meer concrete informatie naar voren dat het niet hebben van een uitreisstempel in een Libisch paspoort bij terugkeer kon leiden tot nader onderzoek. Nu eiser heeft verklaard dat hij legaal en zonder problemen Libië is uitgereisd en hij een geldig Libisch paspoort heeft, is dat een sterk aanknopingspunt voor de overweging dat hij aan een dergelijk onderzoek niet zal worden onderworpen en hij minder risico loopt op de gestelde problemen bij terugkeer. Ook heeft eiser in het verleden geen problemen ondervonden met de Libische autoriteiten en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zij op de hoogte zijn van zijn afvalligheid. Gelet hierop is er ook anderszins onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat eiser een reëel risico loopt op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Kompier

Griffier

  • mr. J. de Lange

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand