[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum]
(V-nummer: [v-nummer] )
en
[naam 2] , eiser,
geboren op [geboortedatum 2]
(V-nummer: [v-nummer 2] )
mede namens de minderjarige kinderen:
[naam 3] ,
geboren op [geboortedatum 3]
(V-nummer: [v-nummer 3] )
en
[naam 4] ,
geboren op [geboortedatum 4]
(V-nummer: [v-nummer 4] )
allen van Moldavische nationaliteit,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Rasul)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Ook is aan eisers een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd. Dit inreisverbod geldt niet voor de minderjarige kinderen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen hebben ingestemd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eisers een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
De minister heeft de rechtbank op 7 april 2026 bericht dat eisers op 31 maart 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken zijn gemeld, omdat zij op die datum zelfstandig hun woonruimte hebben verlaten. De gemachtigde van eisers heeft vervolgens meegedeeld dat hij geen contact heeft met eisers en dat hij ook niet op de hoogte is van hun verblijfsplaats.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming. Dit is anders als de vreemdeling na een MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Dit is weer anders als er andere concrete aanknopingspunten bestaan dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling in het buitenland verblijft. In het licht van het fundamentele recht op toegang tot de rechter en een doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, moet voorzichtig worden omgegaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eisers, neemt de rechtbank aan dat eisers geen prijs meer stellen op de door hen aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen. Eisers hebben daarom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.