Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708791 / KG ZA 26-780
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats] ,
eiseres, in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci,
tegen:
[de man] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie.
Partijen worden hierna respectievelijk ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 5.
Op 25 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Partijen zijn de ouders van twee minderjarigen kinderen, die op dit moment 11 en 12 jaar oud zijn.
Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
In 2024 is de relatie tussen partijen verbroken. De vrouw is in juli 2024 samen met de kinderen van partijen bij een vriend ingetrokken. Het verblijf bij deze vriend was bedoeld als tijdelijke noodoplossing. De vrouw en de kinderen verblijven ook nu nog bij deze vriend.
De man is in de woning blijven wonen. Sinds de vrouw de woning heeft verlaten neemt de man alle eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor zijn rekening.
De man en de kinderen hebben niet op regelmatige basis contact met elkaar en de kinderen overnachten niet bij de man.
In een eerder kort geding tussen partijen bij team familie van deze rechtbank heeft de vrouw vorderingen ingediend ten aanzien van, voor zover nu relevant, het uitsluitend gebruik van de woning en de medewerking door de man aan overname van zijn aandeel in de woning door de vrouw. Deze vorderingen zijn afgewezen bij vonnis van 3 april 2025. Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de verdeling heeft de voorzieningenrechter overwogen dat deze moet worden behandeld bij team handel van de rechtbank. Over de vordering ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning is overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat die vordering zo spoedeisend is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Beide partijen hebben na dit kort geding geen bodemprocedure aanhangig gemaakt.
Zowel voor als na het vonnis in kort geding van 3 april 2025 heeft af en toe contact tussen (de advocaten van) partijen plaatsgevonden over de afwikkeling van de verdeling van de woning, maar dat heeft niet tot concrete afspraken geleid.
Bij brief van 13 april 2026 heeft de advocaat van de vrouw aan de man bericht dat de vrouw het aandeel van de man in de woning wil overnemen en dat zij op korte termijn daarover afspraken met de man wil maken. In de brief heeft de advocaat van de vrouw ook geschreven dat de vrouw, vooruitlopend op deze toedeling aan haar, samen met de kinderen het uitsluitend gebruik van de woning wil krijgen en dat de man de woning binnen twee weken moet verlaten. In vervolg op deze brief heeft de man de woning niet verlaten, maar partijen zijn wel in overleg getreden over de verdeling van de woning.
Op 11 juni 2026 is de woning getaxeerd op een marktwaarde van € 765.000. De resterende hypothecaire geldlening bedraagt € 305.669,11.
3. Het geschil
in conventie
De vrouw vordert, zakelijk weergegeven:
I. de veroordeling van man om zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn onverdeelde aandeel in de woning aan de vrouw, uiterlijk bij notariële levering op 24 september 2026, onder de verplichting voor de vrouw om:
a. de man gelijktijdig te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening; en
b. gelijktijdig aan de man een bedrag te voldoen gelijk aan de helft van de overwaarde van de woning, berekend door de getaxeerde marktwaarde van de woning te verminderen met de ten tijde van de notariële levering resterende hypothecaire geldlening, waarna eerst aan ieder van partijen de door hem of haar uit eigen middelen in de woning ingebrachte bedragen worden uitgekeerd en de vrouw vervolgens de helft van het resterende bedrag aan de man voldoet als vergoeding voor de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw;
II. te bepalen dat de man gehouden is alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de onder I bedoelde overdracht, waaronder begrepen het verstrekken van noodzakelijke gegevens en bescheiden, het ondertekenen van alle voor de overdracht en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid benodigde stukken en het verschijnen bij de door de vrouw gekozen notaris op de door de notaris vast te stellen datum en tijd;
III. te bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van iedere voor de overdracht vereiste toestemming, medewerking, verklaring of handtekening van de man indien hij weigert of nalaat de hiervoor bedoelde medewerking te verlenen of niet binnen twee werkdagen na een schriftelijk verzoek van de notaris de vereiste stukken ondertekent of anderszins zijn medewerking verleent;
en, voor het geval de vrouw de financiering van de overname ondanks voldoende inspanningen uiterlijk op 24 september 2026 niet heeft verkregen,
IV. te bepalen dat de woning uiterlijk op 24 september 2027 aan een derde zal worden verkocht;
V. te bepalen dat de vrouw uiterlijk op 24 september 2027 aan de man drie NVM-makelaars zal voorstellen, waaruit de man binnen één week één makelaar kiest, bij gebreke waarvan de vrouw zelf gerechtigd is zelfstandig één van de voorgestelde makelaars aan te wijzen en opdracht te verlenen de woning te koop aan te bieden aan derden;
VI. te bepalen dat, als partijen geen overeenstemming bereiken over de vraagprijs, de verkoopstrategie, een prijsverlaging of de aanvaarding van een bod, de gekozen makelaar daaromtrent bindend beslist en partijen gehouden zijn hun volledige medewerking aan deze beslissing te verlenen;
VII. te bepalen dat uit de netto-verkoopopbrengst achtereenvolgens worden voldaan:
a. de resterende hypothecaire geldlening;
b. de kosten van verkoop en levering;
c. vervolgens aan ieder van partijen de door hem of haar aantoonbaar uit eigen middelen bij de aankoop van de woning ingelegde bedragen;
waarna de resterende netto-overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
VIII. te bepalen dat, indien de man weigert of nalaat zijn medewerking te verlenen aan de verkoop of levering van de woning aan een derde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van iedere daarvoor vereiste toestemming, medewerking, verklaring of handtekening van de man;
en
IX. te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 september 2026 met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning;
X. de veroordeling van de man om de woning uiterlijk op 31 augustus 2026 volledig leeg, behoorlijk ontruimd en vrij van zijn persoonlijke eigendommen aan de vrouw ter beschikking te stellen, onder afgifte van alle sleutels die toegang geven tot de woning;
XI. te bepalen dat de man vanaf 1 september 2026 geen aanspraak kan maken op enige gebruiksvergoeding of andere financiële vergoeding wegens het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw, zolang de vrouw de woning bewoont in afwachting van de overdracht van de woning aan haar, dan wel – als die overdracht geen doorgang vindt – in afwachting van de verkoop en levering van de woning aan een derde;
XII. te bepalen dat de man geen aanspraak maakt op de helft van de eigenaarslasten vanaf datum vertrek van de vrouw uit de woning;
het gevorderde onder II., V., VI. en X. op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, omdat de huidige woonruimte van de vrouw en de kinderen ontoereikend is. Zij verblijven met elkaar in een kleine ruimte in de woning van een vriend. Deze ruimte fungeert als slaapkamer, woonkamer, opslagruimte en studeerplek. De kinderen beschikken niet over een eigen slaapkamer of over een geschikte omgeving om huiswerk te maken. De kinderen hebben inmiddels een leeftijd bereikt waarop zij behoefte hebben aan privacy, rust en voldoende leefruimte. Bovendien is de vriend waar de vrouw en de kinderen verblijven ernstig ziek en is zijn gezondheid zodanig verslechterd dat de tijdelijke opvang daar niet langer kan voortduren. De vrouw heeft de afgelopen twee jaar al herhaaldelijk geprobeerd om tot een oplossing ten aanzien van de woning te komen. Naar aanleiding van de brief van 13 april 2026 zijn partijen opnieuw met elkaar in onderhandeling getreden. Zij heeft haar woonsituatie toen noodgedwongen moeten handhaven in de hoop dat partijen tot overeenstemming zouden komen. Tijdens de onderhandelingen heeft de man zelf voorgesteld om zijn aandeel in de woning aan de vrouw over te dragen voor een bedrag van € 185.000. De vrouw heeft met dit voorstel ingestemd, hoewel het bedrag van € 185.000 hoger lag dan het bedrag waar de man op basis van de vermogensrechtelijke uitgangspunten aanspraak zou hebben. Ondanks de bereikte overeenstemming weigert de man de vaststellingsovereenkomst die de advocaat van de vrouw heeft opgesteld te ondertekenen en stelt de man telkens nieuwe voorwaarden aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw. De situatie heeft inmiddels een weerslag op gezondheid van de vrouw. De voortdurende onzekerheid over haar woonsituatie en het ontbreken van passende huisvesting hebben ertoe geleid dat zij zowel lichamelijk als geestelijk ernstig wordt belast. Als alleenstaande hoofdverzorger van twee minderjarige kinderen raakt de vrouw hierdoor steeds verder uitgeput. Als de vrouw ondanks haar inspanningen de financiering van de woning niet kan realiseren, dan vordert zij dat de woning niet eerder dan 27 september 2027 aan een derde zal worden verkocht, zodat de kinderen kort na aanvang van het schooljaar niet opnieuw met een verhuizing worden geconfronteerd en het schooljaar in een stabiele woonomgeving kunnen afronden. Weliswaar vordert de vrouw onder IV. de verkoop van de woning uiterlijk 24 september 2027, maar gelet op de vordering onder V. kan het niet anders dan dat de vrouw bedoelt te vorderen dat partijen niet eerder dan 24 september 2027 beginnen met het verkooptraject voor de verkoop van de woning.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De man vordert, zakelijk weergegeven:
A. de veroordeling van de vrouw om binnen een maand middels objectiveerbare financiële stukken van een bank aan te tonen dat de man door de bank uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zal worden ontslagen en de vrouw hem voor zijn aandeel in de overwaarde kan uitkopen, bij gebreke waarvan de vrouw moet meewerken aan verzoeken van de makelaar, zodat de woning middels de makelaar die de taxatie heeft uitgevoerd, aan een derde te koop aangeboden kan worden;
B. te bepalen dat de verkoopmakelaar de bied- en laatprijs bindend binnen een bandbreedte van 10% boven en onder de vraagprijs mag accepteren, indien de woning aan een derde verkocht moet worden en partijen niet tot overeenstemming over de bied- en laatprijs kunnen komen;
C. te bepalen dat de vrouw moet meewerken aan de verkoop en levering van de woning en dat – als zij dat niet doet – de man gemachtigd is om de woning te verkopen en te leveren, waarbij dit vonnis in de plaats treedt van de door de vrouw te verlenen toestemming, medewerking en handtekening inzake de verkoop en levering;
met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
Daartoe voert de man, samengevat, het volgende aan. De man wil uit de onverdeelde gemeenschap en wil een nieuwe start maken. De woningmarkt is momenteel goed voor woningen in de categorie van de woning van partijen. Met de overwaarde van de woning kunnen beide partijen een nieuwe start maken.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Uitsluitend gebruik woning
De voorzieningenrechter ziet aanleiding de vordering van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning eerst te beoordelen.
De vrouw woont inmiddels sinds de zomer van 2024 op de huidige plek. Nadat in 2025 haar vordering in kort geding om in de woning te mogen wonen, is afgewezen, is zij op dit punt geen bodemprocedure gestart. De vrouw heeft in deze procedure gezegd dat zij uiterlijk 1 oktober 2026 de woning waar zij nu met de kinderen verblijft, moet verlaten. Hiermee heeft zij thans een spoedeisend belang om in deze voorzieningenprocedure te vorderen dat zij met de kinderen in de woning mag gaan wonen.
Uitgangspunt is dat beide partijen, gelet op de eigendomsverhouding, ieder evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. Door de beëindiging van de relatie van partijen en door hun onderlinge verstandhouding is een gezamenlijk verblijf in de woning echter niet meer mogelijk. De vraag aan wie van partijen het uitsluitend gebruik toekomt, moet worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging. Die belangenafweging valt uit in het voordeel van de vrouw. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe.
De vrouw en de kinderen verblijven in de woning bij een vriend. De man heeft nog wel gesteld dat de vriend haar levenspartner is, maar de vrouw heeft dit met klem weersproken en de man heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat zijn stelling aannemelijk is. Daargelaten of de vrouw en de kinderen gezamenlijk in één bed slapen – wat de vrouw stelt en de man betwist – blijkt uit de door de vrouw overgelegde plattegrond van deze woning en foto’s van een deel van de woning dat de woning één slaapkamer, één woonkamer/keuken en een (ruime) bergruimte heeft. Er is dus voor de kinderen geen eigen slaapkamer beschikbaar en evenmin een slaapkamer waar de kinderen gezamenlijk zouden kunnen verblijven. De leefruimte in de woning is te klein om daar nog langer met twee volwassenen en twee kinderen te verblijven, zeker nu de kinderen ouder worden en meer behoefte krijgen aan privacy en ruimte om huiswerk te maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verblijf bij de betreffende vriend als noodoplossing voor korte periode geschikt was, maar niet langer in het belang van de kinderen te achten is. Nu de vrouw de woning ook toebedeeld wil krijgen en zij de primaire zorg voor de kinderen heeft, heeft zij evident belang bij het uitsluitend gebruik van de woning.
Hier staat tegenover het belang van de man, die stelt dat hij geen vervangende woonruimte heeft. Dit belang weegt echter niet zwaarder dan het belang van de kinderen en daarvan afgeleid het belang van de vrouw. Beide partijen hebben over en weer gesteld dat de ander gemakkelijk onderdak zal kunnen vinden bij familie in [plaats] of omstreken. De vrouw heeft gewezen op de omstandigheid dat de moeder, zus en broer van de man in [plaats] wonen, waarbij de moeder ook een extra slaapkamer heeft waar de man in ieder geval tijdelijk kan verblijven. Dit laatste heeft de man niet weersproken. Hij heeft enkel gewezen op de financiële consequenties die dit mogelijk zal hebben. Gelet op dit een en ander brengt een afweging van de belangen van partijen mee dat de vrouw thans met de kinderen in de woning kan gaan wonen.
Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat de man terecht stelt dat de vrouw al na het eerdere kort geding een bodemprocedure aanhangig had kunnen maken en dat het dan niet nodig was geweest om een ordemaatregel in kort geding te vragen. De voorzieningenrechter moet de vordering echter beoordelen aan de hand van de huidige situatie en die situatie maakt dat de door de vrouw gevorderde ordemaatregel, gelet op de belangen van de kinderen, op dit punt wordt toegewezen. Bovendien hadden beide partijen de mogelijkheid om stappen te zetten om te komen tot afwikkeling van de verdeling van de woning. Ook de man heeft dat nagelaten, terwijl ook voor hem duidelijk was dat de onverdeeldheid van de woning niet kon voortduren en dat het in het belang van de kinderen zou zijn dat de onduidelijkheid over hun toekomstige woonsituatie niet langer zou duren dan strikt noodzakelijk. Voor beide partijen geldt dat zij na afwikkeling van de verdeling van de woning over geschikte woonruimte (de vrouw als zij in staat is de woning daadwerkelijk over te nemen) of over voldoende financiële middelen beschikken om vervangende woonruimte te vinden.
De voorzieningenrechter zal het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekennen met ingang van 1 oktober 2026. Dat is de datum waarop zij volgens haar eigen stelling niet langer van haar huidige woonruimte gebruik kan maken en dit geeft de man vanaf de datum van het vonnis een termijn van ruim drie weken om vervangende woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de man de woning moet ontruimen, met medeneming van zijn persoonlijke eigendommen. De man wordt – anders dan de vrouw heeft gevorderd – niet veroordeeld de woning volledig leeg aan de vrouw ter beschikking te stellen, omdat niet uitgesloten kan worden dat partijen nog inboedelgoederen gemeenschappelijk in eigendom hebben of dat er zich momenteel nog inboedelgoederen die eigendom zijn van de vrouw in de woning bevinden.
De wet geeft de vrouw de mogelijkheid de deurwaarder in te schakelen als de man niet vrijwillig tot ontruiming overgaat. De deurwaarder kan een gedwongen (gehele of gedeeltelijke) ontruiming uitvoeren (artikel 556 lid 1 en artikel 557 in combinatie met artikel 444 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet hierop is voor toewijzing van de gevorderde dwangsom geen aanleiding.
Vorderingen met betrekking tot de afwikkeling van de verdeling van de woning
Vanwege de onderlinge samenhang tussen de (overige) vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat, anders dan de vrouw stelt, niet aannemelijk is geworden dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over overname van de woning door haar, tegen betaling aan de man van € 185.000. Deze stellingen zijn, tegenover de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De vorderingen van de vrouw om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan haar zijn dan ook niet in deze procedure op grond van nakoming van bereikte overeenstemming toewijsbaar.
De man verzet zich er niet tegen dat de vrouw de woning overneemt, als zij in staat is die overname te financieren en hem te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Desondanks zijn de vorderingen van de vrouw die zien op toedeling van de woning aan haar niet toewijsbaar, omdat nog te veel onduidelijkheid bestaat over de financiële afwikkeling van de verdeling. De man stelt dat hij meer in de woning heeft geïnvesteerd dan de vrouw tot uitgangspunt neemt en dat ook de volledig voor zijn rekening genomen hypotheeklasten over de afgelopen twee jaar nog verrekend moeten worden. De vrouw betwist deze stellingen van de man weliswaar, maar heeft nagelaten te onderbouwen waarom in elk geval de door de man in de afgelopen twee jaar betaalde aflossing op de hypothecaire geldlening niet verrekend moet worden. Nu dus nog onduidelijk is hoeveel de vrouw aan de man moet betalen bij toedeling van de woning aan haar, is er geen aanleiding om in kort geding bij wijze van ordemaatregel een veroordeling tot medewerking aan een verdelingshandeling uit te spreken. Hierop stranden de vorderingen van de vrouw onder I., II. en III.
Ook vordering van de man die ertoe strekt dat de vrouw binnen een maand moet aantonen dat zij de woning kan overnemen bij gebreke waarvan de woning verkocht moet worden, is niet toewijsbaar, gelet op de op dit moment bestaande onduidelijkheid over de financiële afwikkeling van de verdeling. Beide partijen hebben de afgelopen twee jaar de verdeling van de woning op zijn beloop gelaten. Er is op dit moment geen sprake van een zodanig spoedeisend belang bij die verdeling dat de woning op korte termijn verkocht moet worden en dat de vrouw niet eerst nog de mogelijkheid moet worden geboden te onderzoeken – als meer duidelijkheid bestaat over de investeringen van beide partijen in de woning en de verrekening van de hypotheeklasten – of zij de woning over kan nemen. Partijen zullen stappen moeten gaan zetten om op korte termijn in onderling overleg afspraken te maken over de afwikkeling van de verdeling, dan wel alsnog de verdeling via een bodemprocedure door de rechter vast te laten stellen. In het verlengde hiervan ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding thans te oordelen dat, indien de vrouw de woning niet kan overnemen, deze pas op 24 september 2027 in de verkoop mag. De man heeft zich hiertegen verzet, en de voorzieningenrechter ziet ook geen grond om, indien overname door de vrouw niet mogelijk is, te bepalen dat partijen vervolgens tot 27 september 2027 met de verkoop moeten wachten. Het door de vrouw gestelde belang van rust voor de kinderen, is hiervoor onvoldoende.
Gebruiksvergoeding / betaling eigenaarslasten
Dan resteren nog de vorderingen van de vrouw onder XI. en XII., die betrekking hebben op de vraag of de man vanaf het moment dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekomt aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding en of de man aanspraak heeft op de helft van de eigenaarslasten in de periode dat hij alleen in de woning verbleef. Deze vorderingen komen neer op een verklaring voor recht. In een kort geding kunnen alleen ordemaatregelen getroffen worden, een kort geding leent zich niet voor het uitspreken van een verklaring voor recht. Daarom worden deze vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter merkt hier wel nog het volgende over op. De man heeft vanaf het moment dat hij alleen in de woning woonde de gebruikers- en eigenaarslasten voor zijn rekening genomen en mag ervan uitgaan dat de vrouw deze kosten op zich zal nemen vanaf het moment dat zij in de woning verblijft. De vraag of partijen vervolgens over en weer nog recht hebben op een gebruiksvergoeding en/of dat de betaalde eigenaarslasten nog verrekend moeten worden, zal bij de afwikkeling van de verdeling van de woning aan de orde moeten komen.
Proceskosten
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
bepaalt dat de vrouw met ingang van 1 oktober 2026 met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning gelegen aan de [adres] ;
veroordeelt de man de woning uiterlijk op 30 september 2026 te verlaten en te ontruimen, met medeneming van zijn persoonlijke eigendommen en ter beschikking te stellen aan de vrouw, onder afgifte van alle sleutels die toegang geven tot de woning aan de vrouw;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
in reconventie
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026
idt