RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49210
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Essebai als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist dat de gronden c en h zich feitelijk voordoen. Over de overige gronden stelt eiser dat die de maatregel niet kunnen dragen.
De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van gronden a, b, j, p, q, r en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, anders dan eiser stelt, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat (zie artikel 5.6, eerste lid, van het Vb). Gelet hierop behoeven de gronden c en h, waarvan eiser de feitelijke juistheid wel heeft betwist, geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zelfstandig vertrek
2. Eiser voert aan dat verweerder de bewaringsmaatregel achterwege had moeten laten, omdat hij kenbaar heeft gemaakt zelfstandig te kunnen en willen vertrekken naar Algerije.
Eiser doet hiermee een beroep op artikel 59, derde lid, van de Vw. Hierin is bepaald dat bewaring achterwege blijft indien, en wordt beëindigd zodra, de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
Het beroep op deze bepaling faalt reeds omdat eiser zijn verklaring dat hij zelfstandig kan en wil vertrekken naar Algerije niet heeft geconcretiseerd en
onderbouwd. Eiser is namelijk niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding en evenmin in het bezit van een reisticket naar Algerije. Daarom is niet gebleken dat hij daadwerkelijk de gelegenheid heeft om zelfstandig te vertrekken (vgl. de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1395, en 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663). Gelet hierop heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan artikel 59, derde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven naar Algerije terug te zullen keren en heeft zich dus meewerkend opgesteld. Deze (actuele) houding van eiser heeft verweerder onvoldoende betrokken, zo stelt eiser.
Gelet op de onder 1.2. genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser Nederland illegaal is ingereisd, eerder (twee keer) met onbekende bestemming is vertrokken, geen gevolg heeft gegeven aan de uit het beluit van 14 augustus 2025 voortvloeiende vertrekplicht en meerdere asielaanvragen heeft ingediend, waarvan de laatste bij besluit van 10 juni 2026 niet-ontvankelijk is verklaard, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors onderduikrisico voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat eiser zegt nu wel te willen meewerken aan vertrek is, in het licht van voormelde gronden en omstandigheden, onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan.
Gelet op het voorgaande slaagt de onder 3. weergegeven beroepsgrond niet.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.