RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49490
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer K. Ghanmi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Slachtoffer in strafzaak
1. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van een geweldsfeit en graag gebruik wil maken van zijn rechten als slachtoffer (waaronder het spreekrecht) in de strafzaak. Gelet hierop meent eiser dat hij niet kan worden overgedragen aan Spanje en, in het verlengde daarvan, dat hij niet in bewaring kan worden gehouden ter fine van overdracht.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van de maatregel van bewaring. In de eerste plaats geldt hiertoe dat nog helemaal niet duidelijk is of en, zo ja, wanneer er een zitting zal plaatsvinden in de strafzaak. Verder geldt hiertoe dat niet is gebleken dat eisers aanwezigheid, als slachtoffer, noodzakelijk is voor de strafzaak. Als laatste geldt dat eiser, na zijn overdracht, aan Spanje en/of Nederland om toestemming kan vragen om tijdelijk naar Nederland te mogen komen om als slachtoffer aanwezig te kunnen zijn bij de behandeling van de strafzaak.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, slaagt de onder 1. weergegeven beroepsgrond niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist de (combinatie van de) gronden o en p.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, d, k, r en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeven de betwiste gronden o en p geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
3. Eiser voert aan dat het onduidelijk is of hij wel zal worden toegelaten tot Spanje.
De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee betoogt dat onduidelijk is of er zicht op overdracht aan Spanje bestaat. De rechtbank volgt dit betoog niet. Nederland heeft op 15 augustus 2025 een overnameverzoek op grond van de Dublinverordening ingediend bij Spanje en Spanje heeft dit overnameverzoek op 22 augustus 2025 geaccepteerd. Daarmee is er een claimakkoord tot stand gekomen. Verder heeft Nederland, wegens het onderduiken van eiser, de overdrachtstermijn verlengd met twaalf maanden, waardoor de uiterlijke overdrachtsdatum 22 februari 2027 is geworden.
Nu er dus een claimakkoord met Spanje ligt en de overdrachtstermijn nog loopt, gaat verweerder er terecht vanuit dat eiser kan worden overgedragen aan Spanje en dat Spanje hem zal toelaten. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat Spanje feitelijke overdrachten blokkeert.
Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat er op 26 augustus 2026 een vlucht is aangevraagd en dat er tevens een escort bij de Koninklijke marechaussee is aangevraagd. De beoogde vluchtdatum is 9 september 2026.
Uit het voorgaande volgt dat er zicht op overdracht aan Spanje bestaat. Er bestaat verder ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit traject niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. De onder 3. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser wijst er in dit verband op dat hij wil meewerken. Verder stelt hij psychische klachten te hebben.
Gelet op de onder 2.2. genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser Nederland illegaal is ingereisd, zich niet beschikbaar heeft gehouden in Spanje, meerdere aliassen heeft opgegeven en met onbekende bestemming is vertrokken (op 7 juli 2025), waardoor de overdrachtstermijn is verlengd, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors onderduikrisico voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij nu wil meewerken is, in het licht van voormelde gronden en omstandigheden, onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan.
Voor zover eiser met zijn stelling dat hij psychische klachten heeft, betoogt dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft namelijk geen medische stukken overgelegd waaruit zijn psychische klachten blijken.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, slaagt de onder 4. weergegeven beroepsgrond niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
6. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.