ECLI:NL:RBDHA:2026:26024

ECLI:NL:RBDHA:2026:26024

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer NL26.48914
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, zicht op uitzetting, belangenafweging, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48914

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Verweerder heeft op 7 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P.N. Kleinendorst. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meerdere keren heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 juli 2026 (in de zaak NL26.39284) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 22 juli 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 juli 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 juli 2026 tot 1 september 2026.

Zicht op uitzetting

3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Libië en Algerije binnen een redelijke termijn ontbreekt. De aanvragen om een laissez-passer (lp) zijn ingediend in februari 2026. De Libische autoriteiten hebben nog helemaal niet gereageerd op de lp-aanvraag. Bij de Algerijnse autoriteiten staat weliswaar een presentatie gepland op 7 oktober 2026, maar er is geen enkele aanwijzing dat die presentatie zal leiden tot afgifte van een lp. Een eerdere presentatie bij de Algerijnse autoriteiten heeft ook tot niets geleid.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar zowel Algerije als Libië bestaat (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722, en 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3070). Dit is door eiser ook niet betwist.

Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Voor eiser staat op 7 oktober 2026 een presentatie in persoon gepland bij de nieuwe consul van Algerije, die aan verweerder heeft laten weten eiser zelf fysiek te willen interviewen. Hieruit blijkt dat de op 17 februari 2026 ten behoeve van eiser ingediende lp-aanvraag nog in actieve behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Ook de bij de Libische autoriteiten ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling. Dat er tot op heden van beide landen nog geen positieve reactie op de lp-aanvragen is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder 3.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat met een lp-traject bij zowel de Algerijnse als de Libische autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (vaak meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker indien een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, zijn land van herkomst al langere tijd geleden heeft verlaten en geen documenten over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er verder op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat in de te toetsen periode voldoende heeft gedaan. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 20 augustus 2026 dat eiser geen nieuwe documenten heeft aangeleverd en een niet-actieve, afwachtende houding aanneemt. Door eiser zijn verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat de lp-trajecten, ook als hij wel voldoende zou meewerken, op niets zullen uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De enkele omstandigheid dat de eerdere presentatie op 13 mei 2026 bij de vorige consul van Algerije tot niets heeft geleid kan op zichzelf, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet worden aangemerkt als een dergelijk concreet aanknopingspunt.

Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn in de toetsen periode is komen te ontbreken, niet.

Belangenafweging

4. Eiser betoogt dat de belangenafweging thans in zijn voordeel moet uitvallen. Naarmate de bewaring langer voortduurt, gaat zijn recht op vrijheid steeds zwaarder wegen. Eiser stelt dat hij zijn kinderen door de bewaring al lange tijd niet heeft gezien en hen graag weer wil zien.

In de uitspraak van 27 juli 2026 (in de zaak NL26.39284) heeft de rechtbank de door verweerder verrichte verzwaarde belangenafweging getoetst en geoordeeld dat verweerder die belangenafweging terecht in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen.

De rechtbank ziet in wat eiser in deze procedure heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangenafweging op enig moment in de te toetsen periode in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat uit overweging 3.2. volgt dat er nog steeds een redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en dat eiser niet voldoende meewerkt aan zijn uitzetting en lp-traject. Daarmee draagt hij voor een deel zelf bij aan de duur van de bewaring. Verder wijst de rechtbank erop dat het onderduikrisico nog onverminderd aanwezig is. Gelet hierop heeft verweerder nog steeds een stevig belang bij de bewaring van eiser. Eiser heeft op zijn beurt geen individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt die maken dat zijn bewaring geenszins langer kan voortduren. Weliswaar heeft eiser gesteld dat hij zijn kinderen (in [land] ) graag wil zien, maar tot op heden heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van (beschermenswaardig) gezinsleven tussen hen, laat staan van een noodzaak om bij zijn (gestelde) kinderen aanwezig te zijn. Gelet op het voorgaande slaagt de onder 4. weergegeven beroepsgrond niet.

Slotsom beroepsgronden

5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering (vgl. het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand