Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704530/ KG ZA 26-466
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
DSS a.s. te Praag, Tsjechië,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaten: mrs. D.E.T. Hack en J.F.M. Heuvelmans,
tegen:
[gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M.W. Renzen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘DSS’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 38;
- de nader door [gedaagde] ingediende producties 39 tot en met 44;
- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 18;
- de op 18 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
DSS is actief als producent en leverancier van materieel in de defensie-industrie, met de focus op verkoop en levering aan de Tsjechische staat en andere NAVO-lidstaten. Enig aandeelhouder en bestuurder van DSS is [naam 1] .
[gedaagde] is actief als handelsagent in de defensie-industrie. Middellijk bestuurders van [gedaagde] zijn de heren [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
Een van de klanten van DSS is Commando Materieel en IT van het Ministerie van Defensie (hierna: COMMIT). DSS is met COMMIT drie overeenkomsten aangegaan voor de levering van munitie tegen betaling van € 42,9 miljoen, € 117 miljoen en € 76 miljoen.
Ook met de Tsjechische staat is DSS drie overeenkomsten aangegaan voor de levering van munitie, geproduceerd door de Turkse vennootschap ARCA Savunma Sanayi Ticaret A.Ş. (hierna: ARCA).
DSS en [gedaagde] hebben op 14 februari 2024 en op 1 juli 2024 agentuurovereenkomsten gesloten, waarbij de agentuurovereenkomst van juli die van februari heeft vervangen. In de agentuurovereenkomst van 1 juli 2024 (hierna: de agentuurovereenkomst) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
Principal [DSS] hereby appoints the Agent [ [gedaagde] ] as her exclusive Agency in the Netherlands including all other commercial activities of the Agent regarding the preparation and/or closing of Customer contracts in which Customers outside the Netherlands are involved, but where the execution of the contracts takes place through the State of The Netherlands and/or any Dutch authority. The Parties can expand the Agency of the Agent in joint consultation by adding countries which countries in that case will be named in a written appendix to this agreement.
(…)
The Agent is entitled to the following Commission: 4% of the value of the customer contract unless for specific projects otherwise specified and agreed upon in the signed Annexes to this agreement, of which the latest versions are an integral part of this Agency Agreement.
The entitlement to the Commission will only arise once Principal and the Customer have signed the Customer Contract, and the Products are invoiced by Principal and paid by the Customer.
After the closing and/or signing of the contract between the Principal and the Customer, Principal will submit to the Agent a specification of the Commission to be paid. This specification is submitted not later than 8 days following the date of closing/signing the contract.
After an invoice is sent to Principal by the Agent, Principal will pay the Commission due within 14 days of the date of that invoice.
The Agent is at any time entitled to confidential access to all (digital) documents relating to or containing information about the (formation and/or financial settlement of the) (supply) contracts that have been concluded between the Customer and the Principal through the intermediary/intervention of the Agent. The Principal is obliged to provide the relevant information for inspection at the first written request of the Agent, both during the term of the agency agreement and also for a period of 5 years after its legally valid termination. The Agent's right of access includes the Agent’s right to receive and retain a certified (digital) copy of the information in question.
(…)
This agency agreement has been entered into for a period of 5 years, starting on 1 November 2023 and running through 1 November 2028. (…)
Termination of this Agency Agreement must be done by means of a bailiff's writ or by registered letter. This Agency Agreement can also be terminated with immediate effect and without observing a notice period in the following cases:
a. the other Party is declared insolvent;
b. provisional suspension of payments is granted to the other Party;
c. the other Party is dissolved or closed down;
d. the other Party fails to comply with its obligations, unless that Party remedies the failure within a reasonable term after having been given written notice of default.”
Bij de agentuurovereenkomst horen (onder meer) twee door partijen op 9 respectievelijk 10 juli 2024 ondertekende Annexen: Annex I en Annex II.
Annex I heeft betrekking op de overeenkomsten tussen DSS en COMMIT. In Annex I is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Products
(…), Contracts DSS/ COMMIT#4502684719, 8500012440, 8500012701
Remuneration
Total Value of the Contracts DSS/COMMIT #4502684719, 8500012440 : 220.573.000 EUR
Parties have agreed that remuneration for the Agent for carrying out the activities under the Agency Agreement in connection with this respective Business Transaction shall be equal to 4 % (four percent) of the Contracts Price, i.e. 8.822.920 EUR. Partially payable after Principal is paid by Customer after each partial delivery using 4% calculation model.
This Annex shall become valid and shall take effect as of the date of signing by both Parties.
This Annex shall be valid until 1 July 2029. Notwithstanding the above, this Annex shall terminate upon termination of the Agency Agreement.
Objectives
The Parties agree that the following objectives shall be achieved within the following deadlines:
(a) all contracted rounds were successfully delivered
Final provisions
Capitalized terms shall have the meaning ascribed to them in the Agency Agreement to which this document is an annex. Rights and obligations of the Parties that are not expressly set forth herein shall be governed by the Agency Agreement.”
Annex II heeft betrekking op de overeenkomsten tussen DSS en de Tsjechische staat. Annex II vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Relevant Products/Contracts
- Contract ARCA/DSS/2024/01: (…) Contract ARCA/DSS/2024/02: (…) Contract ARCA/DSS/2024/03: (…)
Remuneration
Parties have agreed that remuneration for the Agent for carrying out the activities under the Agency Agreement in connection with this respective Business Transaction shall be equal to EUR 100 per round. Partially payable after Principal is paid by Customer after each advance payment or partial delivery.
This Annex shall become valid and shall take effect as of the date of signing by both Parties.
This Annex shall be valid until 1 July 2029. Notwithstanding the above, this Annex shall terminate upon termination of the Agency Agreement.
Objectives
The Parties agree that the following objectives shall be achieved within the following deadlines:
(a) all contracted rounds were successfully delivered
Final provisions
Capitalized terms shall have the meaning ascribed to them in the Agency Agreement to which this document is an annex. Rights and obligations of the Parties that are not expressly set forth herein shall be governed by the Agency Agreement.”
In 2023, 2024 en 2025 heeft [gedaagde] aan DSS in totaal acht facturen gestuurd voor commissiebetalingen, onder verwijzing naar een van de overeenkomsten tussen DSS en COMMIT, genoemd in Annex I. DSS heeft die facturen van [gedaagde] betaald, zij het steeds op rekening van ESDS, een andere vennootschap van [naam 2] en [naam 3] .
Op 12 mei 2025 zijn [naam 2] en [naam 3] in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar omkoping en corruptie in voorlopige hechtenis geplaatst. Zij zijn begin juni 2025 weer in vrijheid gesteld. In de tussenliggende periode is er geen contact geweest tussen DSS en [gedaagde] , omdat [naam 2] en [naam 3] in volledige beperking zaten.
Ook nadat [naam 2] en [naam 3] op vrije voeten waren, is er - ondanks pogingen daartoe van [gedaagde] - tussen partijen geen contact geweest tot oktober 2025.
Bij brief van 9 oktober 2025 heeft DSS [gedaagde] medegedeeld de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden. De brief luidt als volgt:
“(…) It has come to our attention, and is hereby formally noted, that as of 12 May 2025 you have ceased to duly perform you contractual duties. Such failure constitutes a material breach of your obligations under the Agreement. The Principal regards this failure as a serious violation of the Agreement and a loss of trust essential to the continuation of the Agreement and corresponding agency relationship.
In accordance with Clause 9.2 (d) of the Agreement, the Principal is entitled to terminate the Agreement with immediate effect in the event that the other Party fails to comply with its obligations.
On the basis of your non-performance since 12 May 2025, the Principal hereby exercises its right to terminate the Agreement with immediate effect.
For the avoidance of doubt, please note that the Principal will only settle and pay commission in respect of transactions or cases that can be clearly demonstrated to have resulted from the Agent’s proper performance of the Agreement and that became payable as of 12 May 2025 at the latest. Attached to this letter, please find the respective invoice for the only remaining outstanding commission to be paid by the Principal. No other commission or remuneration shall be due or payable to the Agent based on the Agreement.”
Bij voornoemde brief is een factuur bijgevoegd van [gedaagde] aan DSS van 12 mei 2025, voor een bedrag van € 52.212 met als omschrijving “Commission for partial delivery to COMMIT PO 8500012701”.
[gedaagde] heeft zich bij die ontbinding niet neergelegd. Bij brief van 12 januari 2026 van (de advocaat van) [gedaagde] aan DSS, heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van de agentuurovereenkomst niet rechtsgeldig is. [gedaagde] heeft DSS gesommeerd tot betaling.
Eveneens op 12 januari 2026 heeft [gedaagde] aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd tot het leggen van beslag onder de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) ten laste van DSS voor een beweerde vordering van [gedaagde] op DSS van € 1.154.966 uit hoofde van de agentuurovereenkomst (onbetaalde commissievergoedingen). Het gevraagde verlof is verleend op 13 januari 2026. De vordering van [gedaagde] is voorlopig begroot op € 1.362.962,60.
Op 21 januari 2026 heeft [gedaagde] ten laste van DSS conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Staat (hierna: het beslag).
In een brief van 22 januari 2026 aan [gedaagde] bleef DSS bij haar standpunt dat de agentuurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Ook gaf DSS aan nog steeds bereid te zijn om de factuur van € 52.212 aan [gedaagde] te betalen.
Op 3 februari 2026 is [gedaagde] een bodemprocedure gestart tegen DSS (de eis in de hoofdzaak), waarin zij veroordeling van DSS vordert om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 52.212. Ook vordert [gedaagde] bij wijze van provisionele vordering afgifte van bepaalde bescheiden, zoals (onder meer) alle pakbonnen en alle facturen van alle leveringen aan de Staat en aan de Tsjechische staat en specificaties van de commissievergoedingen waartoe [gedaagde] gerechtigd is.
Uit de op 9 februari 2026 afgegeven derdenverklaring van de Staat volgt dat als gevolg van het beslag twee facturen van DSS aan de Staat, van in totaal € 11.700.000, zijn geblokkeerd voor betaling. Het gaat om de facturen van 11 januari 2026 (met nummer 220260001) en van 30 januari 2026 (met nummer 22026008).
In een aanvullende verklaring van 27 mei 2026 heeft de Staat aan de advocaat van [gedaagde] medegedeeld dat de situatie onveranderd is.
3. Het geschil
in conventie
DSS vordert – verkort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. het door [gedaagde] op 21 januari 2026 ten laste van DSS gelegde beslag op te heffen;
Subsidiair
II. het door [gedaagde] op 21 januari 2026 ten laste van DSS gelegde beslag op te heffen voor zover het een bedrag van € 1.362.962,60 te boven gaat en het beslag te beperken tot dat bedrag, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;
Meer subsidiair
III. [gedaagde] te veroordelen om het op 21 januari 2026 gelegde beslag op te heffen binnen twee dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
IV. [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen ten laste van DSS ter zake de in dit kort geding behandelde vorderingen en uit deze rechtsverhouding volgende vorderingen;
V. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daartoe voert DSS – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft geen vordering op DSS uit hoofde van de agentuurovereenkomst, die inmiddels is ontbonden. [gedaagde] heeft niet als handelsagent opgetreden in de relatie tussen DSS en COMMIT. [naam 3] en [naam 2] hebben slechts operationele werkzaamheden verricht voor DSS, maar dit betekent niet dat [gedaagde] recht heeft op enige commissie. De vordering waarvoor beslag is gelegd is dan ook summierlijk ondeugdelijk, zodat het beslag moet worden opgeheven. DSS heeft bovendien ook voldoende zekerheid aangeboden, maar [gedaagde] heeft de aangeboden bankgarantie van een Tsjechische bank ten onrechte niet geaccepteerd. Het beslag heeft een aanzienlijk bedrag geraakt dat niet aan DSS kan worden uitbetaald. Dit heeft een negatieve invloed op de cashflow van DSS en de financiële positie van DSS. Zij heeft er daarom belang bij dat het beslag zo snel mogelijk wordt opgeheven dan wel dat het beslag in omvang wordt beperkt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
[gedaagde] vordert – na eisvermindering – zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. DSS ten titel van voorschot te veroordelen om aan [gedaagde] een bedrag te betalen van € 11.700.000 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2026;
II. DSS te veroordelen om aan [gedaagde] te overleggen, dan wel afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:
a. alle opdrachtbevestigingen of inkooporders van de Staat of de Tsjechische Staat gericht aan DSS;
b. alle facturen met betrekking tot alle leveringen door DSS aan de Staat of de Tsjechische Staat;
c. alle pakbonnen met betrekking tot alle leveringen door DSS aan de Staat of de Tsjechische Staat;
d. alle betalingsbewijzen van alle betalingen door de Staat of de Tsjechische Staat aan DSS;
e. specificaties van de commissievergoedingen waartoe [gedaagde] op grond van de Overeenkomst toe gerechtigd is; en
f. deze informatie te beperken tot overeenkomsten die tot stand zijn gekomen doordat [gedaagde] , direct of indirect, en welke hoedanigheid dan ook, enige rol heeft gespeeld bij de totstandkoming, uitvoering, uitwerking of vertegenwoordiging met betrekking tot de overeenkomst;
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000 ineens en van € 25.000 per dag of dagdeel dat DSS na de betekening van het vonnis niet aan deze veroordeling voldoet;
Daartoe voert [gedaagde] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft bemiddeld bij de overeenkomsten die tussen DSS en COMMIT en tussen DSS en de Tsjechische staat tot stand zijn gekomen. Op grond van de agentuurovereenkomst en de daarbij behorende annexen heeft [gedaagde] van DSS recht op een commissievergoeding van in totaal € 12.204.672. DSS betaalt [gedaagde] ten onrechte niet. Nu de vordering van [gedaagde] voldoende aannemelijk is, dient DSS te worden veroordeeld tot betaling van een voorschot aan [gedaagde] van € 11.700.000, zijnde het bedrag dat door het beslag is geraakt. [gedaagde] heeft er verder recht op en belang bij dat DSS wordt veroordeeld om aan haar (een afschrift van) bepaalde bescheiden te verstrekken. Die bescheiden heeft [gedaagde] nodig om haar vordering op DSS uit hoofde van de agentuurovereenkomst (nader) te kunnen bepalen en onderbouwen.
DSS voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie
Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien (i) summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of (ii) als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Bij de beoordeling moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.
Primaire vordering I wordt afgewezen
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is DSS er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er voldoende grond is voor de volledige opheffing van het beslag, zoals primair gevorderd.
Vordering waarvoor beslag niet summierlijk ondeugdelijk
In de eerste plaats heeft DSS niet aannemelijk gemaakt dat de vordering van [gedaagde] waarvoor beslag is gelegd, summierlijk ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.
De vordering van [gedaagde] waarvoor beslag is als volgt opgebouwd: (i) een factuur van 12 mei 2025 voor een bedrag van € 52.212, waarvan DSS verschuldigdheid erkent, maar onbetaald heeft gelaten en (ii) een commissievergoeding ter hoogte van € 1.102,764 die DSS volgens [gedaagde] verschuldigd is voor alle leveringen onder de overeenkomst tussen DSS en COMMIT eindigend op 719 als genoemd in Annex I. DSS heeft sinds 2023 uitvoering gegeven aan de agentuurafspraken en conform Annex I commissie betaald aan [gedaagde] . DSS is daar ten onrechte mee gestopt sinds mei 2025, aldus [gedaagde] . In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gesteld dat zij nog aanvullende commissieaanspraken maakt voor leveringen van DSS aan COMMIT op grond van de afspraken in Annex I en van DSS aan de Tsjechische Staat op grond van de afspraken in Annex II.
DSS ontkent dat [gedaagde] commissiewerkzaamheden heeft verricht en op die grond enige commissie toekomt. Wel erkent DSS dat zij in 2023 en 2024 enkele malen facturen van [gedaagde] heeft betaald. Volgens DSS waren dit betalingen voor ‘feitelijk opgedragen operationele werkzaamheden’ die [gedaagde] heeft verricht met betrekking tot de leveringen van DSS aan COMMIT. Hoewel deze operationele werkzaamheden volgens DSS buiten de agentuurovereenkomst vallen en daarover geen prijsafspraken zijn gemaakt, heeft DSS, naar eigen zeggen om puur praktische redenen, voor de vergoeding daarvan aansluiting gezocht bij het in de agentuurovereenkomst en de Annexen genoemde percentage van 4 % van de geleverde bestellingen onder de contracten tussen DSS en COMMIT. Ook erkent zij dat zij het bedrag van € 52.212 uit de factuur van 12 mei 2025 aan [gedaagde] verschuldigd is. Ter zitting heeft DSS aangevoerd dat zij voornoemde factuur inmiddels heeft betaald, maar [gedaagde] heeft dit weersproken. DSS voert aan dat [gedaagde] vanaf 12 mei 2025 geen enkele vergoeding meer toekomt, omdat [gedaagde] sindsdien geen werkzaamheden meer heeft verricht. De bestuurders van [gedaagde] worden sinds 12 mei 2025 vervolgd voor corruptie en hebben daarvoor enkele weken in detentie gezeten. Op grond hiervan heeft DSS de agentuurovereenkomst bij brief van 9 oktober 2025 rechtsgeldig en met terugwerkende kracht ontbonden. Er bestaat in de visie van DSS geen rechtsgrond (meer) voor de vorderingen van [gedaagde] .
De vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd komt de voorzieningenrechter niet summierlijk ondeugdelijk voor, omdat partijen feitelijk uitvoering lijken te hebben gegeven aan de afspraken in Annex I. Alle facturen van [gedaagde] aan DSS vanaf 2023 tot 12 mei 2025 zijn door DSS betaald althans erkend. In deze facturen wordt steeds vermeld dat ze betrekking hebben op ‘commission’ en elk van de facturen verwijst naar een van de drie overeenkomsten tussen DSS en COMMIT uit Annex I. Zo worden de werkzaamheden in de factuur van 12 mei 2025 omschreven als “Commission for partial delivery to COMMIT PO 8500012701” (zie r.o. 2.13). Deze factuur heeft DSS erkend. De in randnummer 4.2. genoemde vordering onder (ii) bouwt voort op deze feitelijke uitvoering en lijkt te zien op leveringen die plaatsvonden voordat DSS de agentuurovereenkomst ontbond. Niet valt in te zien waarom DSS zonder enig voorbehoud zou betalen voor facturen met dergelijke omschrijvingen, als zij van mening was dat [gedaagde] enkel operationele werkzaamheden had verricht. Het argument dat DSS de facturen enkel uit praktisch oogpunt betaalde, is in het licht van het voorgaande onvoldoende. DSS heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] in geen enkel geval aanspraak kan maken op commissie.
De kort geding procedure leent zich bovendien niet voor bewijsvoering en voor een definitief oordeel over het geschil tussen partijen. In de bodemprocedure zal dus moeten worden uitgemaakt of [gedaagde] recht heeft op (verdere) vergoedingen onder de agentuurovereenkomst en Annex I en II en tot welk bedrag. Ook zal daarin moeten worden bepaald of DSS de agentuurovereenkomst, en daarmee Annexen I en II, rechtsgeldig (en met terugwerkende kracht zoals DSS stelt) heeft ontbonden. In dit kort geding is daarvoor geen plaats.
Onvoldoende vervangende zekerheid
De voorzieningenrechter bespreekt vervolgens de tweede door DSS aangevoerde grond voor opheffing van de beslagen: DSS zou [gedaagde] voldoende zekerheid hebben geboden door het aanbieden van een bankgarantie van een Tsjechische bank.
Voor de beantwoording van die vraag is van belang of de door DSS voorgestelde vervangende zekerheid naar Nederlandse normen kan worden gekwalificeerd als voldoende zekerheid in de zin van artikel 705 lid 2 Rv om de opheffing van het beslag te rechtvaardigen. Aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaf van artikel 6:51 BW. De aangeboden zekerheid moet zodanig zijn, dat de vordering en de eventuele daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat [gedaagde] daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen
In deze procedure stelt DSS dat zij voldoende zekerheid heeft geboden met het aanbieden van een bankgarantie van een van de grootste banken uit Tsjechië ter hoogte van € 1.362.962,60, het bedrag waarvoor verlof is verstrekt. De onderhandelingen over deze bankgarantie zijn volgens DSS door toedoen van [gedaagde] afgeketst omdat [gedaagde] eiste dat zekerheid zou worden verstrekt voor een disproportioneel bedrag van € 12 miljoen met een bankgarantie van een Nederlandse bank. [gedaagde] betwist dat zij genoegen moet nemen met een bankgarantie van een Tsjechische bank. Zij voorziet procesrisico’s en een grensoverschrijdend executiegeschil bij het uitoefenen van zo’n bankgarantie, waarbij mogelijk een Tsjechische rechter bevoegd is en Tsjechisch recht van toepassing zal zijn.
Het ligt op de weg van DSS om te onderbouwen dat de voorgestelde bankgarantie voldoende zekerheid biedt in de zin van artikel 6:51 BW. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is DSS daarin niet geslaagd. Op het verweer van [gedaagde] heeft DSS ter zitting slechts gereageerd met een algemeen verhaal over de werking van een bankgarantie als abstract betalingsargument. DSS heeft geen enkele toelichting gegeven over de mogelijke voorwaarden die zouden gelden bij een Tsjechische bankgarantie, laat staan dat zij haar aanbod gestand doet, een model-tekst heeft overgelegd of heeft verduidelijkt door welk recht de bankgarantie zou worden beheersd. Nu iedere informatie daarover ontbreekt kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat de aangeboden bankgarantie voldoende vervangende zekerheid biedt. Op die grond van DSS kan het beslag dus niet worden opgeheven.
Belangenafweging
Een belangenafweging kan niet leiden tot volledige opheffing van het beslag. De vordering van [gedaagde] waarvoor beslag is niet summierlijk ondeugdelijk en [gedaagde] heeft recht en belang bij verzekering van verhaal op haar vordering. Van DSS mag worden verlangd dat gewacht wordt op het eindoordeel over deze vordering in de bodemprocedure. Voor zover het beslag meer heeft geraakt dan het bedrag van € 1.362.962,60 vindt de belangenafweging plaats bij beoordeling van de subsidiaire vordering onder II.
Subsidiaire vordering II wordt toegewezen
DSS heeft gevorderd het door [gedaagde] op 21 januari 2026 ten laste van DSS gelegde beslag op te heffen voor zover het een bedrag van € 1.362.962,60 te boven gaat en het beslag te beperken tot dat bedrag. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen en licht dat hierna toe.
Het verzoek van [gedaagde] tot het leggen van beslag beperkt zich tot genoemd bedrag van € 1.362.962,60. Het beslag heeft echter € 11.700.000 geraakt. DSS voert aan dat dit disproportionele gevolgen voor haar heeft en dat zij hierdoor ernstig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad. [gedaagde] brengt daar tegen in dat het beslag op het meerdere moeten blijven liggen, omdat DSS (aanvullende) commissie verschuldigd is aan [gedaagde] voor leveringen van DSS aan COMMIT op grond van de afspraken in Annex I en van DSS aan de Tsjechische Staat op grond van de afspraken in Annex II. Het gaat om leveringen die na mei 2025 hebben plaatsgevonden. De commissie voor deze leveringen telt op tot een bedrag van € 12.204.672. Voor deze aanvullende aanspraken is geen beslag gelegd, maar [gedaagde] zal voornoemd bedrag in de bodemprocedure vorderen en heeft er belang bij dat ook het verhaal op deze vorderingen wordt verzekerd.
De voorzieningenrechter gaat niet mee in het standpunt van [gedaagde] dat het beslag op het meerdere moet blijven liggen. Dit zou neerkomen op een verkapte opwaartse herbegroting althans opwaartse waardering van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, waarvoor in deze procedure geen plaats is. [gedaagde] dient voor het meerdere opnieuw verlof te vragen via de door art. 700 Rv voorgeschreven rechtsingang: met een verzoekschrift. [gedaagde] had oorspronkelijk een hernieuwd verzoek als vordering onder III opgenomen in haar eis in reconventie, maar heeft deze vordering (terecht) ingetrokken.
Verder weegt mee dat [gedaagde] haar aanvullende aanspraken (nog) niet als vordering heeft ingediend en onderbouwd in de bodemprocedure, terwijl DSS in deze kort gedingprocedure, naast het beroep op de rechtsgeldige ontbinding van de agentuurovereenkomst, een op voorhand niet kansloos verweer heeft gevoerd tegen onder meer de aanspraken van [gedaagde] uit hoofde van Annex II.
Ook de afweging van de belangen van partijen valt in het voordeel van DSS uit. Alleszins aannemelijk is dat DSS zwaar geraakt wordt door (handhaving van) het beslag op het meerdere. Het beslag heeft een disproportioneel groter bedrag geraakt, dan waarvoor verlof is gevraagd. De belangen van [gedaagde] bij handhaving van het beslag op het meerdere moeten wijken voor de belangen van DSS bij de opheffing daarvan. Als gezegd kan [gedaagde] opnieuw verlof vragen.
De conclusie is dat de voorzieningenrechter het door [gedaagde] op 21 januari 2026 ten laste van DSS gelegde beslag zal opheffen voor zover het een bedrag van € 1.362.962,60 te boven gaat en het beslag zal beperken tot dat bedrag.
Uit het voorgaande volgt dat aan de meer subsidiaire vordering III niet wordt toegekomen.
Primaire vordering IV – verbod om opnieuw beslag te leggen – wordt afgewezen
DSS vordert dat [gedaagde] wordt verboden opnieuw beslag te leggen ten laste van DSS ter zake de in dit kort geding behandelde vorderingen en uit deze rechtsverhouding volgende vorderingen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. Er is geen rechtsregel die noodzaakt tot deze beperking, althans DSS heeft niet toereikend onderbouwd dat haar belangen bij toewijzing van dit verbod zwaarder moeten wegen dan de belangen die [gedaagde] heeft bij het opnieuw leggen van beslag.
Proceskosten in conventie
Partijen zijn over en weer deels in het gelijk en in het ongelijk gesteld. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding de kosten van partijen te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
Vordering I – betaling voorschot – wordt afgewezen
[gedaagde] vordert om DSS te veroordelen tot betaling van een voorschot € 11.700.000 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2026. [gedaagde] onderbouwt dit als volgt. Uit de derdenverklaring van de Staat volgt dat met het beslag twee facturen van DSS aan de Staat van in totaal € 11.700.000, zijn geblokkeerd voor betaling. Het gaat om de facturen van 11 januari 2026 (met nummer 220260001) en van 30 januari 2026 (met nummer 22026008). Volgens [gedaagde] volgt hieruit dat alle leveringen van DSS aan COMMIT onder de drie overeenkomsten met COMMIT als bedoeld in Annex I en alle leveringen van DSS aan de Tsjechische Staat onder de overeenkomsten als bedoeld in Annex II hebben plaatsgevonden. Op grond van de agentuurovereenkomst en de Annexen I en II volgt hieruit een verplichting van DSS tot betaling van commissie aan [gedaagde] voor een bedrag van minimaal € 11,7 miljoen.
Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Toewijzen van een voorschot is alleen aan de orde als met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
De voorzieningenrechter wijst de betaling van een voorschot af. Zoals volgt uit randnummer 4.7. zal in de bodemprocedure moeten worden uitgemaakt of [gedaagde] recht heeft op (verdere) vergoeding onder de agentuurovereenkomst en Annex I en II en tot welk bedrag en of DSS de agentuurovereenkomst, en daarmee Annexen I en II, rechtsgeldig heeft ontbonden. Vooralsnog heeft [gedaagde] haar standpunten in de bodemprocedure beperkt onderbouwd. De kort geding procedure leent zich niet voor bewijsvoering en voor een definitief oordeel over deze geschilpunten tussen partijen. De voorzieningenrechter ziet in de standpunten van [gedaagde] onvoldoende aanleiding te oordelen dat de bodemrechter haar vorderingen met een grote mate van waarschijnlijkheid zal vaststellen. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de bodemrechter zal oordelen dat DSS de agentuurovereenkomst en de Annexen I en II rechtsgeldig heeft ontbonden en dat [gedaagde] op die grond geen aanspraak heeft op commissie. Daarnaast heeft DSS in deze procedure een gefundeerd verweer gevoerd tegen de aanspraken van [gedaagde] uit hoofde van Annex II. Volgens DSS hebben geen leveringen van DSS aan de Tsjechische Staat plaatsgevonden en is zij (ook) om die reden geen commissie aan [gedaagde] verschuldigd. Kortom, de hoge lat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding wordt in dit geval niet gehaald. [gedaagde] heeft ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist of dat haar restitutierisico de gevraagde voorziening rechtvaardigt. Dat alles is reden om de gevorderde betaling van het voorschot af te wijzen.
Vordering I zal worden afgewezen.
Vordering II – recht op afgifte/afschrift van bescheiden?
[gedaagde] vordert afschrift van bescheiden waarmee zij – zakelijk gezegd – de aanspraken op haar commissie onder de agentuurovereenkomst kan aantonen. Zij beroept zich daarbij op de informatieverplichting van DSS als opgenomen in artikel 6.6. van de agentuurovereenkomst, althans op artikel 194 Rv.
De voorzieningenrechter wijst deze vordering af, omdat [gedaagde] in de bodemprocedure een vrijwel gelijkluidende provisionele vordering heeft ingesteld. Vast staat dat de agentuurovereenkomst tussen [gedaagde] en DSS een rechtsbetrekking is die [gedaagde] in beginsel (slechts) recht geeft op inzage van (delen van) de gevorderde informatie. Voor een geslaagd beroep op artikel 194 Rv is verder van belang of die rechtsbetrekking nog bestaat. Daarvoor is bepalend of de ontbinding van de agentuurovereenkomst door DSS stand houdt. Ook een oordeel over het gefundeerde verweer van DSS tegen de aanspraken van [gedaagde] uit hoofde van Annex II kan van belang zijn voor een beslissing over afgifte. Over al deze punten moet in de bodemprocedure worden geoordeeld. [gedaagde] vordert verder een breed spectrum aan stukken. De voorzieningenrechter kan thans niet vaststellen over welke periode het recht van [gedaagde] op afschriften strekt en welke stukken van belang zijn en ziet onvoldoende aanleiding om op dit punt vooruit te lopen op de bodemprocedure. De bodemrechter zal beter toegerust zijn om over de provisionele vordering te oordelen. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij belang heeft bij een beslissing van de voorzieningenrechter die daarop vooruitloopt.
Proceskosten in reconventie
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DSS worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.366,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
heft het door [gedaagde] op 21 januari 2026 ten laste van DSS gelegde beslag op voor zover het een bedrag van € 1.362.962,60 te boven gaat en beperkt het beslag tot dat bedrag;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.366,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
yd