ECLI:NL:RBDHA:2026:26027

ECLI:NL:RBDHA:2026:26027

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer C/09/707845/ KG ZA 26-714
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Geldvordering. Bezoldiging topfunctionaris. Artikel 1.6 WNT. Onverschuldigde betaling. Niet kan worden uitgesloten dat het CIBG naar aanleiding van de zienswijze van de topfunctionaris tot een herziene conclusie komt. Belangenafweging. Afwijzing vordering.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak-/rolnummer: C/09/707845 / KG ZA 26-714

Vonnis in kort geding van 15 juli 2026

in de zaak van

In-Dividu B.V. te Den Haag,

eiseres,

advocaat: mr. W.R.J. Okx,

tegen:

1. [gedaagde 1] te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2] B.V. te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. F.J.B. Buitenhuis.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘In-Dividu’ en ‘ [gedaagden] c.s.’. [gedaagden] c.s. worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] B.V.’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juni 2026 met producties 1 tot en met 17;

- de door [gedaagden] c.s. overgelegde producties 1 tot en met 9;

- de op 1 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter In-Dividu verzocht om de ontbrekende bijlagen van productie 17 alsnog in te dienen. Dat heeft In-Dividu op 2 juli 2026 gedaan. [gedaagden] c.s. zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Dat hebben [gedaagden] c.s. gedaan op 7 juli 2026. Tot slot is In-Dividu in de gelegenheid gesteld om op de reactie van [gedaagden] c.s. te reageren. In-Dividu heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

In-Dividu, voorheen genaamd [bedrijf 1] B.V., houdt een praktijk voor psychologische zorg.

[gedaagde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] B.V.

[gedaagde 1] heeft in het verleden een zakelijke samenwerking gehad met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

[naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] B.V.).

[gedaagde 2] B.V. en [bedrijf 2] B.V. hielden ieder 50% van de aandelen in In-Dividu en in Praktijk 2005 B.V. (hierna: Praktijk 2005). Ook Praktijk 2005 houdt een praktijk voor psychologische zorg.

[gedaagde 2] B.V. en [bedrijf 2] B.V. waren van 9 juli 2019 tot 22 februari 2021 gezamenlijk bevoegde bestuurders van In-Dividu.

Vanaf 22 februari 2021 was [gedaagde 1] gezamenlijk met [naam 1] bestuurder van In-Dividu. [gedaagde 1] is uitgetreden als bestuurder op 19 juli 2023.

[naam 2] (hierna: [naam 2] ) was van 4 maart 2021 tot en met 31 december 2025 voorzitter van de Raad van Commissarissen van In-Dividu.

Tussen In-Dividu en [gedaagde 1] bestond een managementovereenkomst, op grond waarvan [gedaagde 1] recht had op een managementvergoeding van € 15.000 per maand voor een fulltime werkweek van 40 uur. [gedaagde 1] ontving ook managementvergoedingen vanuit Praktijk 2005.

In 2023 hebben [gedaagde 1] en [naam 1] de samenwerking beëindigd na een tussen hen ontstaan geschil.

Ter beëindiging van hun geschil hebben [gedaagde 1] en [naam 1] op 29 november 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin In-Dividu, Praktijk 2005, [gedaagde 2] B.V. en [bedrijf 2] B.V. ook partij zijn. Onderdeel van de gemaakte afspraken is een aandelenruil, in die zin dat [gedaagde 2] B.V. alle aandelen in Praktijk 2005 kreeg en [bedrijf 2] B.V. alle aandelen in In-Dividu. In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover hier van belang, nog het volgende opgenomen:

“(…) 5. Uit hoofde van de Aandelenruil en het Einde van de overeenkomsten is Praktijk 2005 B.V. per Effectieve datum aan [bedrijf 1] B.V. verschuldigd een boekhoudkundig verschil van € 281.250,-. (…)

13. Tussen Partijen is ten aanzien van het Geschil alles besproken en uitonderhandeld. Afgezien van hetgeen in deze vaststellingsovereenkomst is geduid, zijn er geen andere (kortlopende) vorderingen van Partijen 1,2 en/of 5 op Partijen 3,4 en/of 6 meer en zijn er ook geen (kortlopende) vorderingen van Partijen 3,4 en/of 6 op Partijen 1,2 en/of 5 meer. Er zijn geen verdere onderwerpen die Partijen, al dan niet in de onderhandelingen naar voren gebracht door een van hen, buiten deze vaststellingsovereenkomst wensen te laten. Een en ander betekent dat Partijen verklaren ter zake van het Geschil, de Aandelenruil en het Einde van de overeenkomsten niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen, behoudens voor zover het betreft de nakoming van de hiervoor in deze vaststellingsovereenkomst beschreven rechten en verplichtingen.”

Op 3 februari 2025 heeft het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (hierna: het CIBG) van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wet Normering Topinkomens (hierna: WNT) door In-Dividu in de jaren 2021, 2022 en 2023. Het onderzoek strekte zich ook uit tot Praktijk 2005.

Bij brief van 3 maart 2025 heeft In-Dividu aan het CIBG een toelichting en onderbouwing gegeven van de aan [naam 1] en [gedaagde 1] betaalde managementvergoedingen in het kader van de WNT. In-Dividu stelde zich kort gezegd op het standpunt dat de bezoldigingen van [naam 1] en [gedaagde 1] voldeden aan de bezoldigingsmaxima van de WNT.

Op 27 oktober 2025 heeft het CIBG met [naam 1] het conceptrapport van bevindingen gedeeld. In de begeleidende brief heeft het CIBG onder meer het volgende geschreven:

“Conceptrapport en voorlopige conclusie

Op basis van dit onderzoek heb ik twee conceptrapporten van bevindingen opgesteld. In deze rapporten is opgenomen dat sprake is van een overtreding van de WNT. De voorlopige conclusie is dat aan u en aan een voormalig topfunctionaris [ [gedaagde 1] , vzr] een onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden van respectievelijk € 59.488 en € 60.720. Bij deze vindt u de conceptrapporten.

Controle conceptrapporten

Ik wil u vragen [de] rapporten te controleren. Als u van mening bent dat er onjuistheden in staan of indien de overtreding reeds is beëindigd, dan ontvang ik graag binnen vier weken uw onderbouwde reactie en/of het eventuele bewijs van terugbetaling. Bevatten de rapporten volgens u geen onjuistheden, dan vraag ik u dit ook schriftelijk aan mij te laten weten.

Definitieve rapporten

Na de genoemde termijn, stel ik de definitieve rapporten van bevindingen op. Wanneer na het vaststellen van de definitieve rapporten de eventuele overtreding nog niet is beëindigd, heeft u nog de mogelijkheid uw standpunt (zienswijze) aan mij te laten weten. Naar aanleiding daarvan zal ik vervolgens een beslissing nemen over het opleggen van een last onder dwangsom.”

Op 17 november 2025 heeft In-Dividu aan [gedaagde 1] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 60.720 in verband met (door het CIBG vastgestelde) te veel ontvangen managementvergoeding.

Partijen hebben inhoudelijk gereageerd op het conceptrapport van bevindingen van het CIBG.

Het CIBG heeft bij brief van 26 mei 2026 aan [gedaagden] c.s. het definitieve rapport van bevindingen van 14 april 2026 (hierna: het definitieve rapport) doen toekomen. Het CIBG heeft in het definitieve rapport geconcludeerd dat met betrekking tot de bezoldiging in de boekjaren 2022 en 2023 sprake is van een overtreding van de WNT en dat aan [gedaagde 1] (als voormalig topfunctionaris) een bedrag van € 118.416 onverschuldigd is betaald. In de begeleidende brief staat het volgende:

“Definitief rapport en conclusie

Op basis van het rapport concludeer ik dat er sprake is van een overtreding van de WNT. Deze bestaat uit een overschrijding van de maximale bezoldigingsnorm op grond van artikel 1.6, eerste lid, artikel 2.1 en artikel 2.7, eerste lid, van de WNT jo. de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. Er heeft in 2022 en 2023 een onverschuldigde betaling aan de topfunctionaris plaatsgevonden van € 118.416,00. In het rapport vindt u mijn bevindingen en onderbouwing bij deze conclusie. De overtreding is tot nu toe nog niet ongedaan gemaakt.

Uw reactie over conceptrapport

Het conceptrapport van bevindingen met kenmerk CIBG-25-08850 met mijn voorlopige conclusie is u voor controle van de feiten op 27 oktober 2025 toegezonden. Ik heb reacties over dit conceptrapport ontvangen van de instelling, de accountant van de instelling en de andere topfunctionaris. Deze reacties hebben gedeeltelijk geleid tot het herzien van mijn conclusie. Een inhoudelijke toelichting vindt u in het rapport.

Herstel overtreding binnen vijf weken

U krijgt de gelegenheid om de overtreding(en) te herstellen binnen vijf weken na dagtekening van deze brief. U kunt de overtreding beëindigen door gezamenlijk met de instelling en management-bv ervoor te zorgen dat het onverschuldigde bedrag van € 118.416,00 wordt terugbetaald aan de instelling. De bewijsstukken hiervan moet u binnen deze termijn aan mij opsturen. Na de herstelbetaling is de overtreding opgeheven en wordt het onderzoek gesloten. Er zal in die situatie geen publicatie in de Staatscourant plaatsvinden. U ontvangt hiervan een bevestiging.

Wordt de overtreding niet binnen deze termijn hersteld, dan heb ik het voornemen u een last onder dwangsom op te leggen. Ik heb ter informatie de conceptbrief van deze mogelijke last onder dwangsom bijgevoegd bij deze brief.

Uw standpunt over definitief rapport

U heeft ook de mogelijkheid om binnen twee weken uw standpunt (zienswijze) over het definitieve rapport van bevindingen, mijn conclusie en het mogelijk opleggen van een last onder dwangsom aan mij te laten weten. Ik wijs u er wel op dat het geven van uw standpunt niet de hersteltermijn van vijf weken opschort.

Uw standpunt ontvangen wij graag mondeling of schriftelijk binnen twee weken na de datum van deze brief. (…)

Eventueel vervolg

De WNT (artikel 5.5, eerste lid) bepaalt dat wanneer een opgelegde last onder dwangsom niet wordt betaald, de minister het bedrag opeist bij de management-bv en/of topfunctionaris. Het opgeëiste bedrag komt dan toe aan de Staat.”

In het definitieve rapport staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Deeltijdfactor

In de WNT-verantwoordingen over de boekjaren 2021 en 2022 van de instelling staat 1 fte vermeld als deeltijdfactor van de topfunctionaris. Daarnaast staat in de WNT-verantwoordingen over de boekjaren 2021 en 2022 van instelling 2 ook 1 fte als deeltijdfactor vermeld. In totaal is de topfunctionaris in de boekjaren 2021 en 2022 bij voormelde instellingen voor 2 fte verantwoord.

Het is niet gebruikelijk dat er in totaal meer dan 1 fte wordt gewerkt. Een voltijdse werknemer telt als 1 fte. Bij de instelling en instelling 2 is met de topfunctionaris een voltijds werkweek van 40 uur overeengekomen. In totaal is met de topfunctionaris dus voor 80 uur per week aan werkzaamheden overeengekomen met beide instellingen.

Voor de bepaling van de deeltijdfactor in het kader van de WNT is de werkelijke omvang van het dienstverband per week het uitgangspunt. Omdat met de topfunctionaris in totaal twee keer meer uren zijn overeengekomen dan gebruikelijk is, is aan de instelling verzocht om aan te tonen hoeveel uren er feitelijk zijn gewerkt voor beide instellingen. (…)

Uit de vaststellingovereenkomst blijkt verder dat op basis van deze verhouding de totale management fee waar de topfunctionaris recht op heeft is verlaagd bij de waardering van de koopsom van instelling 2.

Omdat op basis van de beschikbare informatie niet kan worden aangetoond hoeveel uren er feitelijk zijn gewerkt, maar uit de overgelegde agendaoverzichten in samenhang met hetgeen in de vaststellingsovereenkomst staat vermeld, wel kan worden opgemaakt dat de topfunctionaris in totaal 28 uur heeft gewerkt voor beide instellingen, zal er bij de beoordeling van de gegevens vanuit worden gegaan dat in totaal 0,7 fte is gewerkt door de topfunctionaris voor beide instellingen tezamen. (…)

Beoordeling

Indien een topfunctionaris van een WNT-instelling meer bezoldiging ontvangt dan het individueel toepasselijke bezoldigingsmaximum, dan is er sprake van een overschrijding. Deze overschrijding is onverschuldigd betaald. De overschrijdingen van de toepasselijke WNT-normen bedroeg gelet op de aangeleverde informatie een bedrag van € 118.416.16. Dit bedrag is onverschuldigd betaald door de instelling aan de topfunctionaris.”

Het definitieve rapport is op dezelfde dag ook aan (het bestuur van) In-Dividu verstuurd. De begeleidende brief aan In-Dividu luidt als volgt:

“Definitief rapport en conclusie

Op basis van het rapport concludeer ik dat er sprake is van een overtreding van de WNT. Deze bestaat uit een overschrijding van de maximale bezoldigingsnorm op grond van artikel 1.6, eerste lid, artikel 2.1 en artikel 2.7, eerste lid, van de WNT jo. de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. Er heeft in 2022 en 2023 een onverschuldigde betaling aan de topfunctionaris plaatsgevonden van € 118.416,00. In het rapport vindt u mijn bevindingen en onderbouwing bij deze conclusie. De overtreding is tot nu toe nog niet ongedaan gemaakt.

Uw reactie over conceptrapport

Het conceptrapport van bevindingen met kenmerk CIBG-25-08848 met mijn voorlopige conclusie is u voor controle van de feiten op 27 oktober 2025 toegezonden. Ik heb reacties over dit conceptrapport ontvangen van de instelling, de accountant van de instelling en de andere topfunctionaris. Deze reacties hebben gedeeltelijk geleid tot het herzien van mijn conclusie. Een inhoudelijke toelichting vindt u in het rapport.

Herstel overtreding binnen vijf weken

U krijgt de gelegenheid om de overtreding(en) te herstellen binnen vijf weken na dagtekening van deze brief. U kunt de overtreding beëindigen door gezamenlijk met de management-bv en de topfunctionaris ervoor te zorgen dat het onverschuldigde bedrag van € 118.416,00 wordt terugbetaald aan de instelling. De bewijsstukken hiervan moet u binnen deze termijn aan mij opsturen. Na de herstelbetaling is de overtreding opgeheven en wordt het onderzoek gesloten. Er zal in die situatie geen publicatie in de Staatscourant plaatsvinden. U ontvangt hiervan een bevestiging.

Wordt de overtreding niet binnen deze termijn hersteld, dan heb ik het voornemen u een last onder dwangsom op te leggen. Ik heb ter informatie de conceptbrief van deze mogelijke last onder dwangsom bijgevoegd bij deze brief.

Uw standpunt over definitief rapport

U heeft ook de mogelijkheid om binnen twee weken uw standpunt (zienswijze) over het definitieve rapport van bevindingen, mijn conclusie en het mogelijk opleggen van een last onder dwangsom aan mij te laten weten. Ik wijs u er wel op dat het geven van uw standpunt niet de hersteltermijn van vijf weken opschort.

Uw standpunt ontvangen wij graag mondeling of schriftelijk binnen twee weken na de datum van deze brief.

(…)

Eventueel vervolg

De WNT (artikel 5.5, eerste lid) bepaalt dat wanneer een opgelegde last onder dwangsom niet wordt betaald, de minister het bedrag opeist bij de management-bv en/of topfunctionaris. Het opgeëiste bedrag komt dan toe aan de Staat.”

In-Dividu heeft zich bij de uitkomst van het definitieve rapport neergelegd. Op 1 juni 2026 heeft Wessel Juristen namens In-Dividu van [gedaagden] c.s. het bedrag van € 118.416, vermeerderd met wettelijke rente, opgeëist. [gedaagden] c.s. hebben daaraan geen gevolg gegeven.

In-Dividu is vervolgens dit kort geding gestart.

Op verzoek van [gedaagden] c.s. heeft het CIBG uitstel verleend tot 28 juli 2026 voor het indienen van zienswijzen op de definitieve rapporten, de conclusies en de voornemens tot het opleggen van een last onder dwangsom. In een e-mailbericht van 26 juni 2026 heeft het CIBG aan [naam 2] bevestigd dat het uitstel ook ziet op de hersteltermijn waarbinnen het onverschuldigd betaalde aan In-Dividu moet zijn terugbetaald.

In een e-mailbericht van 30 juni 2026 heeft het CIBG aan de advocaat van [gedaagden] c.s. onder meer het volgende geschreven:

“Wat betreft uw tussenconclusie, merk ik het volgende op: een besluit tot het opeisen van de onverschuldigde betaling kan pas plaatsvinden onder intrekking van de last onder dwangsom. Dat veronderstelt het bestaan van een besluit last onder dwangsom. Zoals u ook in uw e-mail aangeeft, zullen de zienswijzen na de uiterlijke ontvangst op 28 juli eerst inhoudelijk beoordeeld moeten worden, alvorens er over kan worden gegaan op het eventueel opleggen van een last onder dwangsom.”

3. Het geschil

In-Dividu vordert – verkort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] B.V. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van € 118.416;

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] B.V. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over € 95.216 vanaf 1 januari 2023 en over € 23.200 vanaf 1 januari 2024, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] B.V. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.959,16;

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] B.V. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

Subsidiair

[gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van € 118.416;

[gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van de wettelijke rente ex art. 1.6 lid 3 WNT jo. art. 6:119 BW over € 95.216 vanaf 1 januari 2023 en over € 23.200 vanaf 1 januari 2024, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.959,16;

[gedaagde 1] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

Meer subsidiair

[gedaagde 2] B.V. te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van € 118.416;

[gedaagde 2] B.V. te veroordelen tot betaling aan In-Dividu van de wettelijke rente ex art. 1.6 lid 3 WNT jo. art. 6:119 BW over € 95.216 vanaf 1 januari 2023 en over € 23.200 vanaf 1 januari 2024, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde 2] B.V. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.959,16;

[gedaagde 2] B.V. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

Daartoe voert In-Dividu – samengevat – het volgende aan. Het CIBG heeft vastgesteld dat In-Dividu aan [gedaagde 1] een bedrag van € 118.416 onverschuldigd heeft betaald. [gedaagden] c.s. moeten dit bedrag (inclusief rente) aan In-Dividu terugbetalen. Zij weigeren dit ten onrechte. [gedaagden] c.s. zijn op grond van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die In-Dividu lijdt als gevolg van de weigering van [gedaagden] c.s. om de overtreding van de WNT te herstellen en de te veel ontvangen vergoeding aan In-Dividu terug te betalen. In-Dividu heeft een spoedeisend belang bij een veroordeling van [gedaagden] c.s. hiertoe, omdat zij het risico loopt dat een publicatie in de Staatscourant plaatsvindt als de overtreding niet wordt hersteld en ook dat aan haar een last onder dwangsom wordt opgelegd. Dit heeft negatieve gevolgen voor haar bedrijfsvoering.

[gedaagden] c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang van In-Dividu bij haar vorderingen is, anders dan [gedaagde 1] menen, voldoende aanwezig. Vaststaat dat de termijn om de overtreding van de WNT te herstellen zal verstrijken op 28 juli 2026 en In-Dividu wil bewerkstelligen dat vóór die datum het beweerdelijk onverschuldigd betaalde bedrag aan haar wordt terugbetaald. In-Dividu is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.

Ter beantwoording ligt voor of [gedaagden] c.s. moeten worden veroordeeld om een bedrag van € 118.416 aan In-Dividu (terug) te betalen.

Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.

Artikel 1.6 lid 1 van de WNT bepaalt – kort gezegd – dat betalingen die het wettelijk toegestane bezoldigingsmaximum overschrijden, onverschuldigd zijn betaald. Wanneer een dergelijke overtreding wordt geconstateerd, worden de betrokken partijen eerst in de gelegenheid gesteld om de overtreding binnen een door de minister gegeven termijn ongedaan te maken. Op grond van artikel 5.4 lid 1 van de WNT is de minister ter handhaving van de WNT bevoegd aan partijen een last onder dwangsom op te leggen. Van de last onder dwangsom wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Tegen een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom staan bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open. Indien de opgelegde last niet wordt uitgevoerd, eist de minister, onder intrekking van de last onder dwangsom, de in de last vermelde onverschuldigde betalingen op van de topfunctionaris, waarbij de opgeëiste bedragen toekomen aan de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) (artikel 5.5 lid 1 WNT). Met de bekendmaking van het besluit tot opeisen vervalt de vordering uit onverschuldigde betaling van de instelling (In-Dividu) op de topfunctionaris ( [gedaagde 1] ).

Vooropgesteld wordt dat het CIBG in het definitieve rapport heeft geconcludeerd dat In-Dividu aan [gedaagde 1] een bedrag van € 118.416 onverschuldigd heeft betaald in verband met het overschrijden van de bezoldigingsmaxima in 2022 en 2023. De reden hiervoor is dat [gedaagde 1] in zowel In-Dividu als in Praktijk 2005 een bezoldiging heeft ontvangen voor een voltijdse werkweek van 40 uur, wat volgens het CIBG niet gebruikelijk is. In de berekening van het individueel toepasselijke bezoldigingsmaximum voor [gedaagde 1] heeft het CIBG daarom een deeltijdfactor toegepast. Bij brieven van 26 mei 2026 zijn partijen verzocht om de overtreding van de WNT te herstellen, in die zin dat het bedrag van € 118.416 aan In-Dividu wordt terugbetaald. De terugbetalingsverplichting van [gedaagde 1] staat in zoverre vast. Ook staat vast dat [gedaagde 2] B.V. (als management-bv) hieraan moet meewerken, nu de managementvergoedingen aan haar zijn betaald. In dit kort geding is voldoende aannemelijk dat In-Dividu op grond van onverschuldigde betaling een vordering heeft op [gedaagde 1] van € 118.416 en dat ook [gedaagde 2] B.V. tot betaling hiervan kan worden veroordeeld. Verder staat vast dat partijen gezamenlijk tot 28 juli 2026 de tijd hebben om de terugbetaling aan In-Dividu te bewerkstelligen.

De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat een afweging van de wederzijdse belangen meebrengt dat de vorderingen van In-Dividu moeten worden afgewezen. Dat wordt hieronder toegelicht.

Het belang van [gedaagden] c.s. bij afwijzing van de vorderingen van In-Dividu is erin gelegen dat zij zich nog wensen te kunnen verweren tegen de bevindingen in het definitieve rapport. [gedaagden] c.s. voeren in dit verband aan dat zij de uitkomst van het onderzoek van het CIBG betwisten en een zienswijze zullen indienen, waarin zij een toelichting zullen geven op (onder meer) de hoogte van het toepasselijke bezoldigingsmaximum, een al dan niet toepasselijke deeltijdfactor en de financiële afwikkeling tussen partijen als gevolg van de vaststellingsovereenkomst. Daartegenover staat het belang van In-Dividu om te bewerkstelligen dat de terugbetaling daadwerkelijk voor 28 juli 2026 plaatsvindt, zodat een last onder dwangsom en publicatie in de Staatscourant wordt voorkomen. In-Dividu wil verder voorkomen dat de minister het te veel betaalde van [gedaagde 1] gaat opeisen, omdat zij dan haar vordering op [gedaagde 1] verliest.

Allereerst is het nog maar de vraag of aan In-Dividu daadwerkelijk een last onder dwangsom zal worden opgelegd, ondanks het bestaande voornemen daartoe. Een last onder dwangsom (aan de instelling) strekt ertoe dat de instelling, in dit geval In-Dividu, wordt gedwongen om het te veel betaalde van de topfunctionaris, in dit geval (de niet meer voor haar werkzame) [gedaagde 1] , terug te vorderen. Maar In-Dividu heeft de terugbetaling feitelijk niet in de hand en zij is hierin volledig afhankelijk van [gedaagden] c.s. Het is dan ook heel goed mogelijk dat van het opleggen van een last onder dwangsom aan In-Dividu wordt afgezien om de reden dat zij het niet in haar macht heeft dat de terugbetaling plaatsvindt en zij zelfs tegen [gedaagden] c.s. heeft geprocedeerd teneinde de overtreding te herstellen. [gedaagden] c.s. wijzen er verder terecht op dat ook In-Dividu tot 28 juli 2026 de mogelijkheid heeft om een zienswijze in te dienen tegen het mogelijk opleggen van een last onder dwangsom. Het ligt dan ook op de weg van In-Dividu om zich tegen het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom te verzetten als zij zich daarmee niet kan verenigen. Op grond van het voorgaande heeft In-Dividu onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er gegronde vrees bestaat dat aan haar een last onder dwangsom zal worden opgelegd en een publicatie in de Staatscourant zal volgen. Voor zover In-Dividu stelt dat alleen al het niet tijdig herstellen van de overtreding een publicatie in de Staatscourant tot gevolg heeft en dit voor haar ernstige gevolgen heeft, wordt hieraan voorbijgegaan. Dat een eventuele publicatie in de Staatscourant ertoe zal leiden dat zorgverzekeraars geen contracten meer met In-Dividu willen sluiten, is door [gedaagden] c.s. gemotiveerd betwist en niet nader door In-Dividu onderbouwd. Daarnaast zal In-Dividu in voorkomend geval aan derden kunnen toelichten dat haar ten aanzien van de niet-terugbetaling geen blaam treft.

Hoewel de huidige stand van zaken is dat [gedaagden] c.s. het bedrag van € 118.416 aan In-Dividu moeten terugbetalen, kan ook niet worden uitgesloten dat het CIBG naar aanleiding van de zienswijze van [gedaagden] c.s. tot een herziene conclusie komt. In de visie van [gedaagden] c.s. kan hun zienswijze leiden tot een herziening van de conclusie van het CIBG, omdat volgens hen in het definitieve rapport geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat [gedaagden] c.s. een bedrag van € 281.250 aan In-Dividu hebben betaald als correctie op de door [gedaagde 2] B.V. ontvangen bezoldiging tot het moment van de vaststellingsovereenkomst. Volgens [gedaagden] c.s. bestaat de mogelijkheid dat het bedrag van € 118.416 niet aan In-Dividu, maar aan Praktijk 2005 moet worden terugbetaald en/of dat de deeltijdfactor wijzigt. Anders dan In-Dividu stelt, valt uit het definitieve rapport niet op te maken dat deze door [gedaagden] c.s. aangevoerde argumenten al zijn meegenomen in de beoordeling van het CIBG. [gedaagden] c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat uit de brief van het CIBG volgt dat zodra de overtreding wordt hersteld, met andere woorden: de terugbetaling is geëffectueerd, de overtreding wordt opgeheven en het onderzoek wordt gesloten, zodat zij in dat geval het recht op hoor en wederhoor verliezen.

Nu oplegging van een last onder dwangsom aan In-Dividu vooralsnog onvoldoende aannemelijk is en [gedaagden] c.s. nog niet de kans hebben gehad om tegen het definitieve rapport op te komen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagden] c.s. om een zienswijze in te dienen en de uitkomst daarvan af te wachten, moet prevaleren boven het belang van In-Dividu bij een toewijzend vonnis. Toewijzing van de vorderingen van In-Dividu zal [gedaagden] c.s. (in privé) in een zeer benarde positie plaatsen en de kans om verweer te voeren mogelijk ontnemen, terwijl uit het voorgaande volgt dat de eventuele gevolgen voor In-Dividu van een afwijzing naar verhouding minder verstrekkend zijn. In het oordeel weegt mee dat ter zitting is gebleken dat [gedaagden] c.s. op dit moment de financiële middelen niet hebben om In-Dividu het bedrag ineens te betalen, zodat het nog maar de vraag of is een toewijzend vonnis ertoe zal leiden dat het volledige bedrag vóór 28 juli 2026 aan In-Dividu wordt betaald. Dat betekent dat ook als de vorderingen van In-Dividu zouden worden toegewezen, de kans bestaat dat uiteindelijk de minister de bedragen van [gedaagde 1] zal opeisen en In-Dividu haar vordering kwijtraakt.

De slotsom is dat de vorderingen van In-Dividu worden afgewezen.

In-Dividu is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 7.062

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 8.428

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt In-Dividu in de proceskosten van € 8.428, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als In-Dividu niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet In-Dividu € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt In-Dividu in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

yd

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand