RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7336
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 21 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Shehabi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is geboren in Hajjah en is vervolgens verhuisd naar Marib.
2. Eiser heeft op 2 september 2023 de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend en legt daar – samengevat weergegeven – het volgende aan ten grondslag. Zijn vader heeft voor de veiligheidsdienst van de legitieme regering in Jemen gewerkt. Eisers gezin wordt daarom gezocht door de Houthi’s. Daarnaast heeft [naam] geprobeerd eiser te rekruteren. Eiser heeft een oproep ontvangen, waarna hij is ondergedoken en uiteindelijk Jemen heeft verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Verweerder acht het eerste relevante element gedeeltelijk geloofwaardig. Verweerder volgt eiser in zijn gestelde nationaliteit en herkomst, maar niet in zijn gestelde identiteit. Eiser heeft bij de indiening van zijn asielaanvraag geen identificerende documenten overgelegd. Eiser is door de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel en een medewerker van de IND geschouwd. Hierbij is geconcludeerd dat er wordt getwijfeld aan de door hem opgegeven leeftijd. Uit een leeftijdsonderzoek door twee artsen is volgens verweerder gebleken dat eiser evident meerderjarig is. Eiser heeft nadien een echt bevonden paspoort en geboorteakte overgelegd, maar het staat niet vast dat deze documenten inhoudelijk juist zijn en deze documenten nemen de bevindingen van de artsen niet weg. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het verlies van zijn eerdere paspoort; volgens verweerder valt niet in te zien waarom de Poolse autoriteiten dat paspoort zouden hebben vernietigd. Verweerder volgt eiser dus niet in de door hem opgegeven leeftijd en kent hem de geboortedatum 1 januari 2006 toe. Verweerder acht het tweede relevante element niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn gestelde problemen met de Houthi’s niet onderbouwd met originele documenten. Uit de inhoud van de door eiser overgelegde stukken blijkt bovendien niet dat eiser wordt gezocht door de Houthi’s vanwege de werkzaamheden van zijn vader. Dit heeft hij evenmin met zijn verklaringen aannemelijk gemaakt. Het derde relevante element acht verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Daarnaast heeft hij zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen.
Eiser kan volgens verweerder op grond van zijn geloofwaardig geachte nationaliteit en herkomst niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin loopt hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.
Asielrelaas
4. Eiser betoogt dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Hij voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met de constatering dat eiser geen originele documenten heeft overgelegd. Bovendien heeft verweerder de samenwerkingsplicht geschonden.
Dit betoog slaagt niet. Zoals hiervoor is uiteengezet, heeft verweerder zich wat betreft de gestelde problemen met de Houthi’s op het standpunt gesteld dat een deel van de door eiser overgelegde stukken betrekking heeft op zijn vader. Uit de inhoud van deze documenten kan niet worden afgeleid dat eiser zelf door de Houthi’s wordt gezocht. Dat heeft eiser niet betwist. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij deze documenten heeft verkregen van een familielid dat zich bij de Houthi’s heeft aangesloten. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij tijdens het gehoor niet wist te verklaren wat de naam is van dit familielid en wanneer deze stukken zijn afgegeven. Bovendien acht verweerder het niet aannemelijk dat een bij de Houthi’s aangesloten familielid aan eiser geheime informatie (aldus eiser zelf) zou verstrekken. Eiser heeft deze tegenwerpingen niet weersproken in beroep. Wat betreft eisers vrees om te worden gerekruteerd heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen originele oproep heeft ingebracht. Uit de door eiser ingebrachte kopie kan volgens verweerder niet worden opgemaakt dat er sprake is van dwang. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser na de gestelde weigering om gehoor te geven aan de oproep problemen heeft ondervonden. Daar komt bij dat eiser na ontvangst van de oproep nog drie maanden in Jemen is gebleven. Ook op deze tegenwerpingen heeft eiser niet inhoudelijk gereageerd.
Het standpunt van eisers gemachtigde dat verweerder de aanvraag uitsluitend heeft afgewezen vanwege het ontbreken van (overtuigende) documenten mist dus feitelijke grondslag. Verweerder heeft immers ook eisers verklaringen beoordeeld. De rechtbank heeft dit ter zitting aan de gemachtigde van eiser voorgehouden en hem hierover bevraagd. De gemachtigde van eiser heeft ook toen volstaan met de stelling dat verweerder geen doorslaggevende betekenis kan en mag toekennen aan het ontbreken van originele onderbouwende documenten. Ook nadat de rechtbank de gemachtigde van eiser heeft voorgehouden dat dit geen inhoudelijke reactie is op het door verweerder ingenomen standpunt en de daaraan ten grondslag liggende argumenten, is een inhoudelijke reactie uitgebleven. Dit geldt eveneens voor het door de gemachtigde van eiser zonder feitelijke onderbouwing ingenomen standpunt dat verweerder de samenwerkingsplicht zou hebben geschonden. De door de gemachtigde van eiser aangevoerde gronden kunnen dus niet slagen.
Vanwege het zorgwekkende ontbreken van op het asielrelaas van eiser betrekking hebbende beroepsgronden met feitelijke grondslag kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verweerder de geboortedatum van eiser, zijn gestelde problemen met de Houthi’s en zijn verklaringen over gedwongen rekrutering terecht niet geloofwaardig acht.
Algemene veiligheidssituatie
5. Eiser betoogt verder dat terugkeer naar Jemen onverantwoord is vanwege de algemene veiligheidssituatie aldaar. Hij merkt echter allereerst op dat, als verweerder eerder op zijn asielaanvraag had beslist, hij in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning.
De hoofdregel is dat verweerder op asielaanvragen beslist op grond van het recht dat geldt ten tijde van het nemen van die beslissing. Dat heeft verweerder in het bestreden besluit ook gedaan. Dat het recht hangende een asielaanvraag kan wijzigen in het nadeel van de vreemdeling, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat verweerder bij zijn besluitvorming het eerder geldende recht moet toepassen. Het beoog slaagt niet.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153) geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het gewapende conflict zo hoog is dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (artikel 15c). Daarbij heeft de Afdeling verweerder de opdracht gegeven bij de 15c-beoordeling kenbaar te betrekken de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen en de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade. Dit betekent volgens de Afdeling dat humanitaire omstandigheden niet alleen relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank op 21 juli 2026 een verweerschrift ingediend en daarbij zijn standpunt over de algemene veiligheidssituatie (nader) toegelicht. Het standpunt van verweerder houdt – samengevat weergegeven – het volgende in. Voor de provincie Marib neemt verweerder aan dat er sprake is van een relatief hoog niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c. De centrale provincie Marib heeft een oppervlakte van circa 17.270 km². De population taskforce van de VN schatte in juni 2023 het inwonertal in de regio op 1.771.000. Daaronder was een groot aantal ontheemden. De regio is van strategisch belang voor de strijdende partijen en was tot 2021 het laatste bolwerk van de legitieme regering van Jemen. Er is sprake geweest van een afname van de gewelddadigheden sinds 2022, maar gedurende de verslagperiode bleef er sprake van gevechten. In 2023 vielen er volgens gegevens van het Civilian Impact Monitoring Project (CIMP) 67 slachtoffers bij deze gevechten (doden en gewonden) en in 2024 50, een significante afname ten opzichte van 2022 (153) en 2021 (344). De meeste slachtoffers (volgens het CIMP in 2023 zo’n 61% van het totale aantal) vielen als gevolg van explosieve oorlogsresten langs de bestandslijn. De mensenrechtenorganisatie Mwatana registreerde in 2023 89 schendingen van de rechten van burgers in Marib en in 2024 93 schendingen. In de meeste gevallen betrof het willekeurige detenties, aanvallen en het gebruik van scholen of de rekrutering en inzet van kindsoldaten. De humanitaire situatie in Jemen is volgens verweerder zorgelijk en Marib behoort tot de provincies met de meeste voedselonzekerheid. Veel mensen in Jemen zijn afhankelijk van humanitaire hulp en met name de Houthi’s gebruiken het verslechteren van de humanitaire situatie bewust als oorlogstactiek. Het voorgaande leidt er volgens verweerder evenwel niet toe dat er sprake is van een situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het gewapende conflict zo hoog is dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder handhaaft voor de regio Marib dus het standpunt dat sprake is van een hoger, maar niet uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.
Het bestreden besluit is gebaseerd op het destijds geldende landenbeleid, waaruit volgde dat aangenomen wordt er in heel Jemen sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld en waarover de Afdeling in voornoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft geoordeeld dat het ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal hierna bezien of het na de uitspraak van de Afdeling gewijzigde landenbeleid voor Jemen en de nadere toelichting van verweerder in het verweerschrift grond vormen om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Niet in geschil is dat er sprake is van een langdurig slechte humanitaire situatie in Jemen en zeker ook in Marib. Uit het verweerschrift volgt dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de strijdende partijen en vooral de Houthi’s het bewust verslechteren van de humanitaire situatie inzetten als oorlogswapen. Het aantal slachtoffers vanwege bijvoorbeeld hongersnood is door verweerder echter niet meegenomen in het totaal aantal slachtoffers van willekeurig geweld, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat de voedselonzekerheid sinds begin 2024 is toegenomen en Marib een van de provincies met de hoogste voedselonzekerheid is (Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025, blz. 13). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de toelichting in het verweerschrift in feite volstaan met een opsomming van relevante aspecten van de algemene veiligheidssituatie en humanitaire situatie. Verweerder heeft in het huidige landenbeleid voor Jemen en het verweerschrift echter onvoldoende duidelijk gemaakt hoe hij deze omstandigheden concreet heeft betrokken in de 15c-beoordeling ten aanzien van Jemen en Marib in het bijzonder. Daarbij heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt in welke mate de hiervoor geschetste humanitaire situatie volgens hem wordt veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Daarnaast is niet inzichtelijk in hoeverre de voedseltekorten waar Jemen (en Marib) mee te kampen heeft (hebben) door verweerder zijn meegewogen alvorens te concluderen dat er desondanks geen sprake is van de hoogste gradatie van artikel 15c, ook al gebruiken met name de Houthi’s voedseltekorten als oorlogswapen, bijvoorbeeld door humanitaire hulp te hinderen. Verweerder heeft niet voldoende toegelicht waarom dit niet leidt tot een andere conclusie over de mate van willekeurig geweld. Daarnaast blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 dat er in Marib, wellicht anders dan de algemene trend in Jemen, ook sprake is van nieuwe gevallen van ontheemding, wat verweerder in het verweerschrift ook bevestigt. Verweerder heeft niet concreet toegelicht waarom dit niet bijdraagt aan een andere uitkomst van de 15c-beoordeling.
Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat uit het arrest van 10 juni 2021 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken CF en DN (ECLI:EU:C:2021:472) volgt dat in de beoordeling alle omstandigheden van het concrete geval, met name die welke kenmerkend zijn voor de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling, “globaal in aanmerking worden genomen”. Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet bedoeld dat verweerder kan volstaan met een algemene (oppervlakkige) beoordeling, maar dat verweerder ook zal moeten motiveren welk gewicht hieraan toekomt (per regio).
De conclusie is dat het huidige landenbeleid voor Jemen en het in deze zaak ingediende verweerschrift geen grond vormen om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Buitenschuldbeleid
6. De gemachtigde van eiser heeft in zijn reactie van 26 juli 2026 op het verweerschrift aangevoerd dat hij blijft bij het standpunt in de zienswijze dat eiser in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid. De gemachtigde van eiser heeft echter niet inhoudelijk gereageerd op het onderbouwde standpunt dat verweerder hierover in het bestreden besluit heeft ingenomen. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt daarom al niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De rechtbank ziet zoals hiervoor is overwogen geen mogelijkheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, nu verweerder de gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het allereerst aan verweerder is om bij de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn het niveau van willekeurig geweld in Marib alsnog deugdelijk vast te stellen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. In aanmerking genomen dat eisers gemachtigde ook een beroepsgrond heeft aangevoerd die slaagt, ziet de rechtbank in overweging 4.2, 4.3 en 6 onvoldoende reden om geen vergoeding toe te kennen. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.