ECLI:NL:RBDHA:2026:2604

ECLI:NL:RBDHA:2026:2604

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer NL25.46635
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Herhaalde asielaanvraag, onderzoek Bureau Documenten, vragen over het door Bureau Documenten gehanteerde vergelijkingsmateriaal, geen gemotiveerde betwisting van de verklaring van onderzoek, vergewisplicht, hoorplicht, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kuster).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46635

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

Procesverloop

1. Eiser heeft een tweede herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. De minister heeft met het besluit van 18 september 2025 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Huidige procedure

Voorgeschiedenis

2. Op 21 maart 2020 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Toen eiser ongeveer veertien jaar oud was, is hij met twee vrienden ( [persoon1] en [persoon2] ) begonnen met inbreken in huizen om aan eten te komen. Bij de inbraak in 2015 heeft eiser ruzie gekregen met [persoon2] , waarbij [persoon2] hem met een mes in zijn schouder heeft gestoken. Eiser heeft vervolgens met een gebroken fles in [persoon2] ’s ribben en schouder gestoken. Hierna lag [persoon2] bloedend op de grond en is eiser naar huis gerend. De moeder van [persoon3] , een vriend van eiser bij wie hij woonde sinds het overlijden van zijn ouders, zei tegen eiser dat hij het land moest verlaten, omdat de familie van [persoon2] en de politie naar hem op zoek zouden zijn vanwege het handgemeen met [persoon2] . Eiser heeft hierna een jaar in Zuid-Senegal verbleven. Daarna is hij teruggekeerd naar Gambia en hoorde hij dat [persoon2] door eisers toedoen was overleden en dat eiser nog steeds gezocht werd door [persoon2] ’s familie en de politie. Eiser heeft daarop zijn woonplaats verlaten. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser voor de gemeenschap en de politie, nu hij wordt gezocht voor de dood op [persoon2] .

3. De minister heeft met het besluit van 8 juli 2021 deze aanvraag als ongegrond afgewezen. Op 3 augustus 2020 heeft eiser tegen deze afwijzing beroep ingesteld. De rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft het beroep op 18 januari 2022 ongegrond verklaard en overwogen dat de minister het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Op 3 juni 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 5 augustus 2025 buiten behandeling gesteld door de minister.

4. Eiser heeft op 22 augustus 2025 opnieuw een herhaalde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daarbij drie documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn eerdere asielaanvraag:

- Een geboorteakte afgegeven op 5 juli 2021;

- een arrestatiebevel afgegeven op 2 november 2014;

- een verklaring van de Gambiaanse politie afgegeven op 2 november 2014.

Het bestreden besluit

5. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de in 4. genoemde documenten op voorhand niets afdoen aan het eerdere besluit van 8 juli 2021. Eiser heeft namelijk tot op heden niet alsnog zijn gestelde problemen onderbouwd. De minister wijst op de Verklaring van Onderzoek van Bureau Documenten van 4 juli 2025 (VvO). Ten aanzien van het arrestatiebevel en de verklaring van de Gambiaanse politie heeft Bureau Documenten geoordeeld dat de verschijningsvorm afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, waardoor Bureau Documenten de conclusie hieraan heeft verbonden dat deze documenten mogelijk niet echt zijn. Ten aanzien van de geboorteakte heeft Bureau Documenten eveneens geoordeeld dat de verschijningsvorm afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal, waardoor het document met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en onbevoegd is opgemaakt en afgegeven. De minister heeft op grond van artikel 3.118b. derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb) dan ook afgezien van horen.

6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft tegen verschillende overwegingen van de minister beroepsgronden ingediend. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hieronder.

Onderzoek Bureau documenten

7. Eiser stelt dat onduidelijk is op welke grondslag de conclusies van het onderzoek van Bureau Documenten zijn gestoeld. Het is bijvoorbeeld relevant om te weten hoeveel vergelijkingsmateriaal er is, of het vergelijkingsmateriaal op sommige punten wel overeen komt met de door eiser overgelegde stukken en of er mogelijk sprake is geweest van wijzigingen van de opmaak en afgifte van de overgelegde documenten. Dat deze vragen door de minister niet zijn beantwoord is onzorgvuldig. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 8 november 2024.1 In deze uitspraak is overwogen dat de minister een vergewisplicht heeft. In het geval van eiser heeft de minister niet voldaan aan zijn vergewisplicht. De minister heeft geen vergewisbrief overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de documenten die betrokken zijn bij het onderzoek van Bureau Documenten zijn ingediend en de VvO inzichtelijk is. Ook is niet gebleken dat Bureau Documenten is bevraagd over de totstandkoming van de conclusies.

Verder is de VvO ten aanzien van het arrestatiebevel en de verklaring van de politie niet volledig. In de VvO wordt enkel een standpunt ingenomen over de verschijningsvorm, maar over de afgifte van het document wordt geen standpunt ingenomen, terwijl dat volgens de Vakbijlage wel de bedoeling is, aldus eiser.

8. Ter zitting heeft eiser desgevraagd medegedeeld dat hij zijn beroepsgrond inhoudende dat de VvO ten aanzien van het arrestatiebevel en de verklaring van de politie niet volledig zou zijn, niet langer handhaaft.

9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat Bureau Documenten een deskundige is en dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.2 Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zich meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de minister de van Bureau Documenten vertrouwelijk verkregen informatie niet hoeft te delen, maar dat hij wel gemotiveerd moet berichten of, en zo ja in hoeverre, hij de conclusies van Bureau Documenten onderschrijft nadat hij stukken heeft ingediend of nadat hij nadere informatie bij Bureau Documenten heeft ingewonnen. In de procedure bij de rechter kan de minister eventueel een beroep doen op artikel 8:29 van de Awb. De minister kan niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter.3

11. De rechtbank overweegt dat de bevindingen van Bureau Documenten over de ingebrachte geboorteakte, het arrestatiebevel en de verklaring van de Gambiaanse politie duidelijk zijn en dat de conclusies daarop aansluiten. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij de conclusies van Bureau Documenten niet deelt en waarom de verklaring naar de wijze van totstandkoming onzorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent zijn. Eiser heeft onder verwijzing naar de genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de gronden van beroep gewezen op een aantal vagen die bijvoorbeeld relevant kunnen zijn over het door Bureau Documenten gehanteerde vergelijkingsmateriaal waaruit volgens eiser volgt dat het van belang is dat de conclusies van Bureau Documenten worden gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze vragen niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van de VvO. De minister hoefde dan ook gelet op de zwaarwegende belangen die uit het oogpunt van het onderzoeksbelang geheimhouding rechtvaardigen, in dit geval geen vertrouwelijke informatie op te vragen en te delen met eiser over de wijze waarop Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen omdat de door eiser gestelde vragen, dat niet rechtvaardigen. De minister hoefde om deze redenen ook geen nadere invulling te geven aan de vergewisplicht. De minister heeft in dit geval wel een vergewisbrief overgelegd, maar daarover heeft de minister ter zitting verklaard, dat dit is gebeurd, omdat eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen vergewisbrief zou zijn, niet omdat er sprake is van een gemotiveerde betwisting van de VvO. De rechtbank kan deze verklaring van de minister volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

1. ECLI:NL:RBLIM:2024:8017.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.

Hoorplicht

12. Eiser voert verder aan dat de minister eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser had tijdens een hoorgesprek toelichtingen kunnen geven die mogelijk kunnen bijdragen aan het standpunt van de minister over de overgelegde bewijsmiddelen. Ook kon eiser tijdens een hoorgesprek verklaringen verstrekken over de opmaak en afgifte van de overgelegde documenten. Dat de minister van horen kan afzien als op grond van de stukken blijkt dat de aanvraag geen kans van slagen heeft en wordt ingeschat dat een gehoor voor de beoordeling geen toegevoegde waarde heeft, kan daarom niet standhouden.

13. Op grond van artikel 3.118b, derde lid, van het Vb kan de minister besluiten om een opvolgende aanvraag te behandelen zonder de vreemdeling te horen. In paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is een niet limitatieve lijst opgenomen van de situaties waarin de minister kan besluiten om af te zien van een gehoor. Eén van de genoemde situaties is als een vreemdeling een beroep doet op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat deze niet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere procedure(s). Nu de minister terecht heeft vastgesteld dat de documenten niet leiden tot een ander oordeel dan het oordeel in de eerdere procedure, heeft de minister er niet ten onrechte van afgezien om eiser in deze procedure te horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.G.M. van Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?