uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48357
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
1. Eiser heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
1.1. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
2. Eiser heeft op 18 juni 2022 een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Oezbekistan een lening van 50.000 dollar heeft afgesloten met behulp van een oud klasgenoot die werkzaam is bij de bank. Met dit geld wilde eiser een restaurant bouwen en inrichten. Het restaurant is afgebrand en eiser heeft de lening niet meer kunnen terugbetalen. Eiser is door zijn klasgenoot, de directeur van de bank en de beveiliging van de bank bedreigd. Ook is eiser een keer mishandeld door de beveiliging. Bij terugkeer naar Oezbekistan vreest eiser te zullen worden vermoord.
3. De minister heeft deze aanvraag van eiser met het besluit van 15 juni 2022 buiten behandeling gesteld. Op 19 februari 2025 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft de minister met het besluit van 23 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen dit besluit op 16 oktober 2025 ongegrond verklaard.1
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:21557.
Novum
Huidige procedure
4. Op 23 september 2025 heeft eiser een tweede herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het bestreden besluit buiten behandeling gesteld door de minister, omdat eiser het formulier voor de herhaalde asielaanvraag, de M35-O, niet volledig en duidelijk heeft ingevuld. Eiser heeft geen zienswijze ingediend en de ontbrekende informatie niet verstrekt. Ook heeft eiser geen verschoonbare redenen opgegeven voor het niet tijdig aanvullen van de ontbrekende informatie. De minister acht deze ontbrekende informatie van wezenlijk belang voor de beoordeling van eisers asielaanvraag.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft tegen verschillende overwegingen van de minister beroepsgronden ingediend. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden hieronder.
Procesbelang
6. De rechtbank toetst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij deze procedure, nu de minister documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 5 oktober 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft naar aanleiding van deze documenten een bericht gestuurd naar de gemachtigde van eiser met verschillende vragen over het contact tussen eiser en zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft verklaard dat eiser sinds 30 juni 2025 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat hij zich tot 5 oktober 2025 wel aan zijn meldplicht heeft gehouden. Na 5 oktober 2025 heeft eiser zich niet meer aan zijn meldplicht gehouden en daardoor is door het Centraal orgaan opvang asielzoekers (Coa) gemeld dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Eisers gemachtigde heeft aangevoerd dat eiser zich bevindt op het adres waar hij staat ingeschreven. Verder heeft de gemachtigde van eiser ter zitting verklaard contact te hebben met eiser. Ook de dag voorafgaand aan de zitting is er nog contact geweest tussen eiser en zijn gemachtigde. De rechtbank is gezien deze omstandigheden van oordeel dat er sprake is van procesbelang en zal het beroep van eiser hierna inhoudelijk beoordelen.
7. Eiser voert aan dat er sprake is van een novum. De minister heeft te snel beslist op zijn herhaalde asielaanvraag. Eiser heeft via bekenden te horen gekregen dat hij bij de politie moet verschijnen, omdat hij wordt gezocht. Het documenten waar dit in staat zou op 9 september 2025 aan eiser toegestuurd worden, maar dat is nooit door hem ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat het retour is gekomen bij de afzenders. Eiser heeft de minister verzocht om te wachten met de besluitvorming tot het document is verkregen en overgelegd. De minister heeft dit verzoek afgewezen, terwijl de minister deze informatie wel van wezenlijk belang acht. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom niet is afgezien van het buiten behandeling stellen van eisers herhaalde asielaanvraag. Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 6 juni 2024.2 Eiser voert verder ter zitting aan dat het aan hem is om alle elementen van zijn asielrelaas zo spoedig mogelijk te onderbouwen, maar dat niet wegneemt dat de lidstaten in een dergelijk geval actief moeten samenwerken om de relevante elementen van eisers verzoek te bepalen en aan te vullen.3 Verder heeft de minister ook een onderzoeksplicht.4
2. ECLI:NL:RBDHA:2024:8959.
Conclusie en gevolgen
3 Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2024 ECLI:EU:C:2024:487.
4 Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012,
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de herhaalde asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen, omdat eiser het aanvraagformulier onvolledig heeft ingevuld. Eiser heeft immers op het aanvraagformulier vermeld dat hij originele documenten heeft waaruit blijkt dat hij wordt bedreigd en vervolgd en dat die zo spoedig mogelijk zullen worden overgelegd. Eiser is tot op heden in gebreke gebleven om deze documenten te overleggen. Daarbij komt dat eiser ook geen zienswijze heeft ingediend en geen contact heeft gelegd met de minister over wanneer de documenten eventueel wel in bezit van eiser zouden zijn. Om deze redenen heeft de minister niet hoeven wachten met het nemen van een beslissing totdat deze documenten wel in het bezit van eiser zouden zijn. Dat het voornemen via het advocatenportaal naar de vorige gemachtigde van eiser is verstuurd en deze gemachtigde geen advocaat is, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers zelf een onvolledige aanvraag ingediend.
9. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 6 juni 2024 leidt niet tot een ander oordeel. In die procedure waren bij de herhaalde asielaanvraag wél documenten overgelegd, maar miste een vertaling van die documenten. In de onderhavige procedure heeft eiser geen nieuwe documenten overgelegd De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie als in de hiervoor genoemde uitspraak. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de herhaalde asielaanvraag van eiser buiten behandeling is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet
10. Ook het beroep van eiser ter zitting op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 20125 en van 11 juni 20246 kan niet slagen. Beide uitspraken zien op het indienen van een eerste asielaanvraag. In de uitspraak van 22 november 2012 is uitgelegd dat er sprake is van een samenwerkingsverplichting, een dergelijke verplichting houdt in dat als eisers asielaanvraag niet volledig, actueel of relevant is, de lidstaat tijdens de eerste asielaanvraag actief met verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen onderbouwen. In de uitspraak van 11 juni 2024 gaat het om de geloofwaardigheidsbeoordeling. Als het eiser niet lukt om zijn asielrelaas te onderbouwen met documenten is het mogelijk dat aan eiser het voordeel van de twijfel wordt gegeven. In onderhavige geval gaat het echter om een tweede herhaalde asielaanvraag, waarbij het enkel gaat om de vraag of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waar eiser redelijkerwijs nog niet mee bekend kon zijn tijdens zijn eerste asielaanvraag. De arresten waar eiser naar verwijst zien dus op een andere situatie dan onderhavige. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dat de minister dit heeft nagelaten is verwijtbaar en moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Eiser vreest slachtoffer te worden van vervolging en schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Oezbekistan.
ECLI:NL:EU:C:2012:744.
5 Zie paragraaf 66 van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012, ECLI:NL:EU:C:2012:744
6 Zie paragraaf 56 van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2024 ECLI:EU:C:2024:487.
12. De rechtbank overweegt het volgende. Eiser heeft een tweede herhaalde asielaanvraag ingediend zonder in het bezit te zijn van de documenten waarop deze aanvraag is gestoeld. De minister heeft zich om die reden op het standpunt mogen stellen dat eiser een onvolledige herhaalde asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft in deze procedure ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd in het kader van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De enkele stelling van eiser dat hij vreest slachtoffer te worden van vervolging en schending van artikel 3 van het EVRM is hiervoor onvoldoende. De minister heeft in het bestreden besluit dan ook kunnen verwijzen naar het op 15 juli 2022 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
13. De minister heeft de asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.