RECHTBANK DEN HAAG
Familierecht
Zaaknummer: C/09/697646 / FA RK 26-339
Kinderalimentatie
Beschikking van 4 september 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R.G. Groen,
e n
[verweerder],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A. van Bendegem.
1. De procedure
Eerder heeft de vader verzoeken bij de rechtbank ingediend ten aanzien van het ouderlijk gezag en de zorg- en informatieregeling. Vervolgens heeft de moeder een zelfstandig verzoek ingediend over de kinderalimentatie. De verzoeken van de man worden in een andere procedure behandeld (C/09/683053 / FA RK 25-2546). Het verzoek over de kinderalimentatie is afgesplitst en wordt behandeld in deze procedure.
De rechtbank heeft in het kader van de kinderalimentatie de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de moeder met bijlagen 1 tot en met 10, ingediend op 5 december 2025;
het verweerschrift van de vader met bijlagen 2 tot en met 5;
het bericht van de vader van 26 juni 2026 met bijlagen 6 en 7, en
het bericht van de moeder van 1 juli 2026 met bijlagen 11 tot en met 15.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 13 juli 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt.
Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren op [datum] in [plaats].
De moeder is sinds 9 mei 2025 gehuwd met [de partner]. [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de moeder en [de partner]. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].
De vader is als vader ook onderhoudsplichtig voor:
[minderjarige 2], geboren op [datum], en
[minderjarige 3], geboren op [datum].
[minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vader en [minderjarige 3] staat ingeschreven op het adres van zijn moeder, [ex-partner vader].
Eerder hebben de ouders afspraken gemaakt over de bijdrage voor [minderjarige 1], die zij hebben vastgelegd in een ouderschapsplan. Hierin zijn zij het volgende overeengekomen:
“(…)
Option 6:
The Father makes a monetary contribution of 125 euros monthly for the upbringing of the Child - Additional contributions may vary upon needed. The Mother takes charge of the remainder maintenance costs.
(…)”.
Wat ligt voor?
De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en al dan niet in zoverre met wijziging van het ouderschapsplan, te bepalen dat:
a. de vader per 14 september 2021 een bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder betaalt van maandelijks € 125 waarbij ingaande 1 januari 2022 wordt geïndexeerd,
althans te bepalen, althans te verklaren voor recht dat de vader aan de moeder vanaf 14 september 2021 tot en met december 2025 nog een bedrag van € 5.921,11 aan kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen, en
dat de vader aan de moeder, ingaande 1 januari 2026 een bedrag van € 200 per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1].
Zij stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de vader in staat is om een hogere bijdrage te leveren. Volgens de moeder is het inkomen van de vader gestegen.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen. Hij betwist dat de eerdere afspraak tussen partijen nog van kracht is. Gelet op zijn onderhoudsverplichting voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acht hij zich in staat om een bijdrage van € 34 per maand te betalen. Daarnaast stelt de vader dat de echtgenoot van de moeder ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1].
3. De beoordeling
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf vandaag een kinderalimentatie van € 130 per maand aan de moeder moet betalen. Daarnaast zal de rechtbank beslissen dat de vader de bestaande achterstand in de kinderalimentatie moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt. Daarbij gaat de rechtbank in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Wijziging van de kinderalimentatie
Wijziging per datum beschikking
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Dat is hier het geval. De moeder is gehuwd met [de partner] waardoor ook hij onderhoudsplichtig is geworden voor [minderjarige 1]. Ook is het inkomen van de vader gestegen. Deze omstandigheden zijn van invloed op de hoogte van de kinderalimentatie, zodat de rechtbank de alimentatie opnieuw zal berekenen.
De rechtbank zal de kinderalimentatie opnieuw berekenen met ingang van de datum van de beschikking. Weliswaar heeft de moeder om een eerdere herberekening gevraagd, maar omdat er in deze zaak zoveel geschilpunten zijn, was het voor beide partijen moeilijk om in te schatten waar de nieuwe bijdrage op uit zou komen. Daarom zal de rechtbank de bijdrage niet met terugwerkende kracht wijzigen.
Behoefte van [minderjarige 1]
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Voor de bepaling van de behoefte kijkt de rechtbank naar het inkomen dat de ouders hadden, omdat wat zij gewend waren uit te geven voor hun kind in eerste instantie afhangt van het inkomen dat zij te besteden hadden. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen ‘eigen aandeel in de kosten van de kinderen’, zoals die door het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) zijn opgesteld.
Vast staat dat de ouders nooit hebben samengewoond. In een dergelijk geval beveelt de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak aan om het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de moeder en van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de vader. De rechtbank vergelijkt daarbij de werkelijke situatie dat [minderjarige 1] bij de moeder is opgegroeid met de fictieve situatie dat [minderjarige 1] bij de vader zou zijn opgegroeid en wat de vader dan aan [minderjarige 1] zou hebben uitgegeven. Aan de zijde van de vader gaat de rechtbank, in lijn met die fictieve situatie, uit van een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Wat het inkomen van de moeder betreft, gaat de rechtbank uit van haar inkomstengegevens over 2022 en niet, zoals de moeder heeft gesteld, van haar inkomstengegevens in 2021. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de moeder in 2021 grotendeels niet heeft gewerkt en haar inkomen daardoor beperkt was. Eind 2021 heeft zij werk gevonden en de afgelopen jaren heeft is zij het grootste deel van de tijd in loondienst geweest. Omdat de rechtbank hier (zoals hiervoor is omschreven) een vergelijking dient te maken tussen de situatie dat [minderjarige 1] bij de moeder is opgegroeid en de situatie dat hij bij de vader zou zijn opgegroeid, past daarbij beter dat de rechtbank uitgaat van het inkomen van de moeder uit loondienst.
Daarom rekent de rechtbank met de inkomstengegevens uit 2022, te weten een jaarloon van € 23.070 bruto zoals blijkt uit haar bijlage 9. Rekening houdend met de dan geldende tarieven en de inkomensafhankelijke combinatiekorting hield de moeder daarvan een bedrag van € 1.922 netto per maand over. Met dat inkomen kon de moeder aanspraak maken op een kindgebonden budget van € 371 per maand, zodat haar totale netto besteedbaar inkomen (NBI) € 2.293 per maand bedroeg. Daarbij past een behoefte volgens de Nibud-tabellen van € 274 per maand.
Wat het inkomen van de vader betreft, gaat de rechtbank uit van de aanslag IB 2021 bij gebrek aan gegevens over 2022. Uit zijn bijlage 2 blijkt een belastbaar inkomen van € 37.767 per jaar. Rekening houdend met de dan geldende tarieven en de inkomensafhankelijke combinatiekorting hield de vader daarvan een bedrag van € 2.700 netto per maand over. Als [minderjarige 1] bij de vader was opgegroeid, had de vader aanspraak kunnen maken op een kindgebonden budget van € 289, zodat de rechtbank dit bij zijn inkomen zal tellen. De vader heeft vervolgens de behoefte berekend op basis van de tabel voor een gezin met drie kinderen, omdat hij ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
De rechtbank volgt de vader daarin niet, want [minderjarige 2] en [minderjarige 3] maakten destijds geen onderdeel uit van het gezin van de vader, maar woonden toen bij hun moeder. De rechtbank zal daarom de werkelijk door de vader voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gemaakte kosten in mindering brengen op zijn inkomen en aan de hand van dat lagere inkomen de behoefte van [minderjarige 1] berekenen. De vader heeft gesteld dat hij eerder een bedrag van gemiddeld € 95 (naar de rechtbank begrijpt: per kind) per maand overmaakte, waarvan hij als bewijs als bijlage 3 bankafschriften heeft overgelegd. Rekening houdend met die bedragen komt het totale NBI van de vader op € 2.799 per maand. Daarbij past een behoefte van € 350 per maand.
Met het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de moeder dat het huidige inkomen van de vader inmiddels hun (fictieve) gezinsinkomen zou overstijgen. Zoals hierna zal blijken is het huidige belastbare inkomen van de vader € 51.233 per jaar, zodat dit niet de hiervoor genoemde inkomens gezamenlijk overstijgt.
Het gemiddelde van de hiervoor genoemde behoeftes komt neer op: (€ 350 + € 274) / 2 = € 312 per maand op in 2021. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is de behoefte van [minderjarige 1] € 382 per maand in 2026.
Draagkracht van de ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het huidige NBI van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is (in beginsel) 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet de berekening er – rekening houdend met de formule die geldt voor 2026 – als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
Bij een NBI kleiner dan € 2.125 netto per maand, maar groter dan € 1.875 netto per maand, gebruikt de rechtbank deze formule niet, maar gelden er vaste tabelbedragen. Voor zover het NBI kleiner is dan een bedrag van € 1.875 netto per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand voor één kind en € 50 per maand voor twee of meer kinderen.
Draagkracht van de vader
Voor het bepalen van de draagkracht van de vader rekent de rechtbank op basis van de loonstroken over de maanden april tot en met juni 2026, die de vader als bijlage 7 heeft overgelegd. Daarin staat een salaris van € 3.309 bruto per maand genoemd, waar nog 8% vakantiegeld bij komt. Wat het inkomen uit overwerk betreft, houdt de rechtbank net als de vader rekening met het gemiddelde bedrag als genoemd in de loonstroken, te weten € 859 per maand. Hoe de moeder aan het hogere bedrag van € 1.200 bruto per maand in haar berekening komt, heeft zij onvoldoende kunnen onderbouwen, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Verder houdt de rechtbank rekening met pensioenpremies van € 158 en € 74 bruto per maand zoals de moeder in haar berekening heeft gedaan. Omdat [minderjarige 2] kort na het geven van deze beschikking meerderjarig wordt, laat de rechtbank een eventueel kindgebonden budget voor [minderjarige 2] buiten beschouwing. Het op te leggen alimentatiebedrag moet een zekere bestendigheid voor de toekomst hebben. Rekening houdend met de belastingen, bedraagt het NBI van de vader dan € 3.313 per maand. Volgens de hiervoor vermelde methode past daarbij een draagkracht van € 668 per maand.
Draagkracht van de moeder
De rechtbank gaat aan de zijde van de moeder uit van de minimale draagkracht van € 25 per maand. De moeder heeft geen inkomen. Haar eerdere WW-uitkering is geëindigd, omdat de maximale termijn is verlopen. Zij heeft daarnaast slechts beperkt aanspraak op een kindgebonden budget van € 1.609 per jaar, omdat [de partner] haar toeslagpartner is en hij een substantieel inkomen heeft. Bij dat beperkte inkomen aan de zijde van de moeder past de minimale draagkracht van € 25 per maand.
Anders dan de vader heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder. De moeder heeft gemotiveerd betwist dat zij verwijtbaar werkloos is geraakt, waarbij zij erop heeft gewezen dat zij anders ook niet in aanmerking was gekomen voor een WW-uitkering. De moeder heeft ook verklaard dat zij op zoek is naar werk, maar dat zij er simpelweg nog niet in geslaagd is een baan te vinden. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij, voordat zij in 2021 een baan vond, ook langere tijd hoeft moeten zoeken naar werk.
Gelet op deze omstandigheden houdt de rechtbank geen rekening met een verdiencapaciteit. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat zij, zoals hierna aan de orde komt, ook volledig de draagkracht van [de partner] meeweegt bij de berekening van de kinderalimentatie. Bovendien is de rechtbank terughoudender bij het aannemen van een verdiencapaciteit aan de kant van de moeder als verzorgende ouder. Indien de moeder er niet in zou slagen om het fictieve inkomen daadwerkelijk te verdienen, dan zou dit tot een (groter) tekort voor [minderjarige 1] kunnen leiden. Wel merkt de rechtbank op dat de moeder zich dient te blijven inspannen om een baan te vinden. Ook moet zij vader erover informeren als zij daarin geslaagd is, zodat de ouders dan (eventueel samen met hun advocaten) de berekende kinderalimentatie kunnen aanpassen.
Onderhoudsplicht en draagkracht van [de partner]
De moeder is getrouwd met [de partner] en [minderjarige 1] vormt onderdeel van het gezin van de moeder en [de partner]. Dat maakt dat [de partner] onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1]. Anders dan de moeder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om aan de onderhoudsplicht van [de partner] minder gewicht toe te kennen dan aan die van de ouders. Volgens de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad zijn de onderhoudsverplichting van ouders en die van een stiefouder in beginsel van gelijke rang. Hier heeft de rechtbank onvoldoende redenen om van die gelijke rang af te wijken en aan de draagkracht van [de partner] minder gewicht te kennen. Weliswaar is [de partner] nog niet zo lang getrouwd met de moeder, maar zijn inkomen is wel bepalend voor wat er in het gezin van de moeder en [de partner] kan worden uitgegeven. Het sluit dan ook niet aan bij de feitelijke situatie als er minder gewicht wordt toegekend aan zijn draagkracht. Ook weegt de rechtbank mee dat de moeder minder aanspraak kan maken op een kindgebonden budget, juist vanwege het inkomen van [de partner]. Als de rechtbank in die omstandigheden de draagkracht van [de partner] minder zwaar mee zou wegen, leidt dit tot een dubbele belasting aan de kant van de vader. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat er aan de kant van de vader al sprake is van een tekort (waarover hierna meer), onder meer omdat hij ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2].
Voor de bepaling van de draagkracht van [de partner] gaat de rechtbank uit van zijn salaris als genoemd in de salarisspecificaties, die de moeder als bijlage 14 heeft overgelegd. Daaruit blijkt een salaris van € 3.811 per vier weken, waar nog een compensatie van de pensioenpremie van € 50 per vier weken en 8% vakantiegeld bij komt. Daarop brengt de rechtbank in mindering de pensioenpremie van € 172 bruto per vier weken en de WGA-premie van € 20 netto per vier weken. Rekening houdend met de belastingen leidt dit tot een NBI van € 3.319 per maand. Volgens de hiervoor genoemde methode heeft [de partner] daarmee een draagkracht van € 671 per maand.
Verdeling van de kosten
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen wie van de onderhoudsplichtigen welk deel van de kosten moet dragen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. Samen hebben de vader, de moeder en [de partner] een draagkracht van: 668 + 25 + 671 = € 1.364. Dat is voldoende om de kosten van [minderjarige 1] te voldoen, die € 382 per maand zijn. Dit betekent dat de vader in beginsel een aandeel in de kosten van [minderjarige 1] heeft van: 668 / 1.364 x 382 = € 187 per maand.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Zoals hiervoor echter is overwogen, is de vader ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Zijn onderhoudsplicht voor hen is van gelijke rang met die voor [minderjarige 1]. Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarvoor is van belang om te weten met welk bedrag de vader zou moeten bijdragen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. En daarvoor is weer van belang of de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] duidelijk verschilt van die van [minderjarige 1] en welk aandeel de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarin kan leveren. Daarom zal de rechtbank hierna de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beoordelen en ook de draagkracht van hun moeder [de ex-partner vader].
Wat de behoefte van [minderjarige 3] betreft, heeft de rechtbank onvoldoende gegevens om de behoefte van [minderjarige 3] te bepalen. Die kan niet met de gebruikelijke tabellen worden berekend, want hij woont op [buitenland] waar de kosten van levensonderhoud anders zijn dan in Nederland. De rechtbank begrijpt dat de vader in overleg met [ex-partner vader] € 57 per maand betaalt en de rechtbank gaat ervan uit dat dit bedrag passend is.
Ook wat de behoefte van [minderjarige 2] betreft, heeft de rechtbank redenen om aan te nemen dat deze duidelijk verschilt van die van [minderjarige 1]. De behoefte van [minderjarige 2] ligt juist hoger, omdat zij studeert aan de Haagse Hogeschool. Ook omdat [minderjarige 2] kort na het geven van deze beschikking meerderjarig zal worden, volgt de rechtbank de vader in zijn stelling dat uitgegaan moet worden van de WSF-norm, zoals de Expertgroep Alimentatie die aanbeveelt voor dergelijke situaties. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het door de vader genoemde bedrag van € 891 per maand, na aftrek van de basisbeurs voor thuiswonenden.
[ex-partner vader] zal als moeder van [minderjarige 2] ook een bijdrage moeten leveren in haar kosten. De vader heeft zijn stelling dat zij niets of nauwelijks iets kan bijdragen niet onderbouwd. Bij gebrek aan financiële gegevens van [ex-partner vader] zal de rechtbank haar bijdrage moeten schatten. Hier schat de rechtbank de bijdrage van [ex-partner vader] op een derde deel (1/3) van de kosten. Dit omdat zij op [buitenland] woont, waar de inkomens gemiddeld lager liggen dan in Nederland. Dit betekent dat in de onderlinge verhouding de vader twee derde deel (2/3) van de kosten van [minderjarige 2] dient te dragen. Dat komt neer op een bedrag van € 594 per maand.
Gelet op het voorgaande bedraagt het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] € 187 per maand, in de kosten van [minderjarige 3] € 57 per maand en in de kosten van [minderjarige 2] € 594 per maand. Samen is dat € 838 per maand. De vader heeft echter maar een draagkracht van € 668 per maand en dat is dus onvoldoende om in al zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien. Daarom moet de rechtbank het beschikbare bedrag over de kinderen verdelen.
Die verdeling gaat in beginsel gelijk, maar bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een andere verdeling, zoals een duidelijk verschil in behoefte. Hier is sprake van een duidelijk verschil in behoefte van de drie kinderen en het aandeel dat de vader daarin moet leveren. Zo zal hij voor [minderjarige 2] meer moeten bijdragen, omdat haar behoefte hoger is en voor [minderjarige 3] juist minder, omdat zijn behoefte lager is.
Daarom zal de rechtbank de draagkracht van de vader naar rato van de berekende aandelen verdelen. Dit betekent dat de rechtbank het aandeel van de vader voor [minderjarige 1] nader vaststelt op: 187 / 838 x 668 = € 149 per maand. Anders gezegd: de vader kan nu maar voor (668 / 838 x 100% =) 80% aan zijn onderhoudsverplichtingen voldoen. Dan is het passend dat ieder kind 80% van het eerdere berekende aandeel ontvangt. Dus krijgt [minderjarige 1] 80% van € 187, oftewel € 149 per maand.
Zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat [minderjarige 1] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de moeder staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
Naast de hiervoor genoemde verblijfskosten, zijn er ook kosten die gemaakt worden ongeacht bij wie van de ouders een kind verblijft: de verblijfsoverstijgende kosten. Bij de berekening van de zorgkorting gaat de rechtbank ervan uit dat die verblijfsoverstijgende kosten worden betaald door de moeder en dat zij de volledige kinderbijslag voor dat kind ontvangt. Voor de verblijfsoverstijgende kosten heeft deze ouder dan 30% van het eigen aandeel, vermeerderd met de volledige kinderbijslag, voor dat kind ter beschikking.
Tussen de moeder en de vader loopt nog een procedure over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1]. Op dit moment staan de ouders nog op een wachtlijst voor begeleide omgang. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het aangewezen om, net als de moeder heeft gedaan, te rekenen met een zorgkorting van 5%. Er is namelijk niet op korte termijn te verwachten dat de vader een substantieel deel van de kosten van [minderjarige 1] al in natura voor zijn rekening zal nemen. Een zorgkorting van 5% komt neer op een bedrag van € 19 per maand. Omdat de vader, de moeder en [de partner] ook na het verminderde aandeel van de vader samen voldoende hebben om in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien, kan de vader zijn zorgkorting volledig verzilveren. Daarmee komt zijn bijdrage op € 130 per maand. Deze bijdrage dient jaarlijks te worden geïndexeerd, voor het eerst vanaf 1 januari 2027.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat deze bijdrage lager is dan de eerder overeengekomen bijdrage na indexering. Aangezien de vader zich in de procedure op het standpunt heeft gesteld dat de eerdere afspraak niet meer gold en hij steeds heeft berekend hooguit een lager bedrag te kunnen betalen, begrijpt de rechtbank dat de vader subsidiair (voor zover de rechtbank niet tot een totale afwijzing en dus vaststelling van de kinderalimentatie zou komen) verlaging van de kinderalimentatie heeft verzocht.
Alimentatie vooruitbetalen
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Achterstallige kinderalimentatie
De rechtbank is van oordeel dat van de vader kan worden gevraagd dat hij de eerder overeengekomen bijdrage tot aan de datum van deze beschikking alsnog betaalt, te vermeerderen met de wettelijke indexering vanaf 2021.
Allereerst staat vast dat de ouders eerder hebben afgesproken dat de vader € 125 per maand voor [minderjarige 1] zou betalen. De moeder stelt dat partijen dit bedrag in 2021 hebben afgesproken. Zij onderbouwt dit met het ouderschapsplan dat zij als bijlage 4 heeft overgelegd. Daarin staat ook dat dit document op 14 september 2021 is aangemaakt. Verder laat de moeder zien dat de vader vanaf die datum ook is gaan betalen. De vader betwist dat die afspraak is gemaakt in 2021 en voert aan dat die afspraak pas in 2024 is gemaakt. Hij onderbouwt dit verder niet en geeft ook geen verklaring voor het feit dat hij al eerder is gaan betalen. Om die reden neemt de rechtbank aan dat partijen het bedrag van € 125 per maand in september 2021 zijn overeengekomen. De vader had dus vanaf dat moment er rekening mee moeten houden dat hij die bijdrage moest voldoen. Kinderalimentatie moet van rechtswege worden geïndexeerd, zodat deze in de pas blijft lopen met de inflatie. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vader ook de indexering moet betalen, voor het eerst vanaf 1 januari 2022. Dit betekent dat de vader de volgende bedragen moet voldoen:
o € 127 per maand in 2022;
o € 132 per maand in 2023;
o € 140 per maand in 2024;
o € 149 per maand in 2025, en
o € 156 per maand in 2026.
De rechtbank gaat verder voorbij aan de stelling van de vader dat hij geen rekening meer hoefde te houden met die overeengekomen bijdrage omdat de moeder op enig moment zijn bijdrage heeft teruggestort. De moeder heeft toegelicht dat zij dat bedrag heeft teruggestort, omdat het een ander bedrag was dan was afgesproken en omdat de vader een andere omschrijving had gebruikt dan ‘kinderalimentatie voor [minderjarige 1]’. Daarbij wist de vader dat op hem een onderhoudsverplichting rustte en dat eerder de afspraak van € 125 per maand was gemaakt. De vader weet dat het onderhoud van kinderen geld kost en dat hij daar als vader medeverantwoordelijk voor is. Daar komt bij dat gelet op het dringende karakter van kinderalimentatie daarvan niet kan worden afgezien. Dat samen maakt dat de vader er niet zomaar op had mogen vertrouwen dat hij de bijdrage niet meer verschuldigd was.
Tot slot heeft de moeder onbetwist gesteld dat de achterstand tot en met december 2025 € 5.921,11 bedraagt. De rechtbank zal daarom de door de moeder verzochte verklaring voor recht toewijzen. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat daar de achterstand over de maanden januari 2026 tot en met vandaag bij komt. Gelet op de forse achterstand die inmiddels is ontstaan, de beperkte (vrije) ruimte aan de kant van de vader en de mogelijkheid die de wet aan de rechtbank biedt om termijnbetalingen toe te staan, zal de rechtbank bepalen dat de vader deze achterstand dient af te lossen in maandelijkse termijnen van € 100 per maand. Het staat de ouders daarbij vrij om in onderling overleg een ander termijnbedrag overeen te komen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
Proceskosten
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het door hen ondertekende ouderschapsplan, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf vandaag € 130 per maand bedraagt;
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de vader met ingang van september 2021 een bedrag aan de moeder verschuldigd is aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 125 per maand, jaarlijks te indexeren en voor het eerst vanaf 1 januari 2022, en verklaart voor recht dat de achterstand van de vader in deze alimentatie over de periode september 2021 tot en met december 2025 € 5.921,11 bedraagt, waarbij de vader de achterstand mag voldoen in maandelijkse termijnen van € 100;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, en
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. R.C. Krijtenburg, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlagen:
Indexering oude kinderalimentatie
Netto besteedbaar inkomen van de moeder in 2022
Netto besteedbaar inkomen van de vader in 2022
Behoefteberekening
Draagkracht van de vader
Draagkracht van de moeder
Draagkracht van de nieuwe partner van de moeder
Bijlage 1: indexering oude kinderalimentatie
Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de moeder in 2022
Bijlage 3: netto besteedbaar inkomen van de vader in 2022
Bijlage 4: behoefteberekening
Bijlage 5: draagkracht van de vader
Bijlage 6: draagkracht van de moeder
Bijlage 7: draagkracht van de nieuwe partner van de moeder