RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.45563 (beroep) en NL26.45785 (voorlopige voorziening)
uitspraken van de enkelvoudige en de voorzieningenrechter kamer in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki)
en
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
1. De rechtbank heeft deze zaak op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank geeft hieronder een samenvatting van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser]. De rechtbank noemt hem hierna eiser.
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag voldoet aan de regels van de wet. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft Oostenrijk terecht verantwoordelijke geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit op 10 augustus 2026 (NL26.45563). Op 11 augustus 2026 heeft hij nogmaals beroep ingesteld (NL26.45784) en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 31 augustus 2026 heeft eiser het tweede beroep ingetrokken.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren zowel de aanvraag als het bestreden besluit van na 12 juni 2026. Verweerder heeft het besluit genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.
Op grond van de AMBV neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder uit Eurodac (EU-asielinformatiesysteem) afgeleid dat eiser voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland, een asielaanvraag heeft ingediend in Oostenrijk. Daarom heeft verweerder bij de Oostenrijkse autoriteiten op 28 juli 2026 een kennisgeving van terugname gedaan. De Oostenrijkse autoriteiten zijn hier dezelfde dag mee akkoord gegaan. Oostenrijk is dus verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt op welke grond Oostenrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag?
4. Eiser voert aan dat verweerder inzichtelijk had moeten maken op basis van welke bepaling van de AMBV Oostenrijk verantwoordelijk is en waarom deze bepaling in de individuele situatie van eiser tot verantwoordelijkheid van Oostenrijk leidt. De verwijzing naar een Eurodac-hit en naar artikel 13 van de Uitvoeringsverordening zijn onvoldoende. Dat artikel ziet namelijk op een situatie waarin de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig de Dublinverordening is bepaald, maar eiser valt onder de AMBV.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV beperkt namelijk wat de rechtbank bij een beroep tegen een overdrachtsbesluit mag beoordelen. Deze bepaling biedt geen ruimte om een beroepsgrond te beoordelen die zich richt tegen het niet inzichtelijk maken van de wettelijke basis waarop de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat is gebaseerd.
Heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser geen bezwaren tegen de overdracht had?
5. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt op welke wijze hij is geïnformeerd over de overdracht, welke informatie aan hem is verstrekt en of hem een voldoende duidelijke en reële mogelijkheid is geboden om gemotiveerd bezwaren naar voren te brengen. Verweerder kon zonder nadere motivering niet uit het uitblijven van een reactie op de brief van 21 juli 2026 afleiden dat eiser geen bezwaren tegen de overdracht had.
De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV laat namelijk ook geen ruimte om deze beroepsgrond te beoordelen. Overigens heeft verweerder de procedure gevolgd zoals die is voorgeschreven in artikel 41 van de AMBV en is in zoverre voldaan aan de AMBV. Dat eiser moest worden gehoord over de terugname, zoals bij overname wel gebeurt, heeft eiser niet onderbouwd. Het karakter van de terugnameprocedure als relatief snelle en vereenvoudigde procedure past ook bij dit verschil. Eiser heeft verder in beroep de mogelijkheid gehad om bezwaren naar voren te brengen. Het verdedigingsbeginsel is dus ook niet geschonden.
Kon verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk?
6. Eiser voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt ten aanzien van Oostenrijk. Verweerder had moeten onderzoeken hoe de situatie van eiser na overdracht concreet zal zijn. Uit landeninformatie blijkt dat asielzoekers in Oostenrijk problemen kunnen hebben met toegang tot het systeem van Basic Care en dat Dublin-terugkeerders in sommige gevallen gedurende langere tijd in grotere eerste-opvangvoorzieningen verblijven.
Artikel 16, derde lid, van de AMBV, houdt in dat overdracht naar Oostenrijk niet mogelijk is als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat eiser als gevolg van de overdracht een reëel risico zou lopen op schending van zijn grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Artikel 16, derde lid, heeft directe werking vanaf 12 juni 2026 en is dus van toepassing bij de beoordeling van het beroep. De bepaling is een codificatie van vaste rechtspraak over artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en het arrest C.K. Dat betekent dat verweerder deze bepaling heeft geschonden als ten aanzien van Oostenrijk het intracommunautaire vertrouwensbeginsel niet geldt. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat dit het geval is.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Oostenrijk uit heeft kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit ten aanzien van Oostenrijk op 3 mei 2023 ook geoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Afdeling nu anders zou oordelen. Eiser heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en niet toegespitst op zijn individuele situatie. De rechtbank wijst er verder op dat uit pagina 134 van het AIDA rapport Oostenrijk (update 2025) volgt dat asielzoekers bij een gebrek aan Basic Care nog altijd het recht hebben op medische noodvoorzieningen en essentiële behandelingen.
Had verweerder toepassing moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken?
7. Eiser voert aan dat verweerder voor de toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 35 van de AMBV alle relevante individuele omstandigheden had moeten betrekken. Een enkele verwijzing naar het algemene beleid, is onvoldoende.
De rechtbank is van oordeel dat ook een beroep op artikel 35 van de AMBV niet slaagt, omdat artikel 43, eerste lid, van de AMBV geen ruimte laat om dit te beoordelen.
Had verweerder de asielaanvraag in behandeling moeten nemen omwille van het feit dat eisers echtgenote en dochter in Nederland in de asielprocedure zitten?
8. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder had moeten betrekken dat eiser een echtgenote en minderjarige dochter heeft die in Nederland een lopende asielprocedure hebben. Zij zijn Nederland ingereisd toen eiser al in Oostenrijk was. Volgens eiser was het niet mogelijk om in Oostenrijk gezinshereniging aan te vragen toen hij daar was met een tijdelijke verblijfsvergunning in afwachting van de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser beroept zich ook op artikel 8 van het EVRM, nu die bepaling boven artikel 43, eerste lid, van de AMBV gaat.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen omdat zijn echtgenote en dochter een lopende asielprocedure in Nederland hebben. Artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de AMBV laat ruimte open voor de rechtbank om te beoordelen of er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening. Hoewel het besluit eisers echtgenote en dochter niet benoemt, blijkt uit het dossier echter wel dat al vóór het besluit werd genomen bekend was dat eisers echtgenote en dochter zich in Nederland bevonden. Het standpunt van eiser dat zij in Nederland asiel hebben aangevraagd en hij bij hen wil zijn, is geen nieuwe omstandigheid als bedoeld in deze bepaling.
Op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de AMBV is de rechtbank ook bevoegd om te beoordelen of inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen. Verweerder heeft ten aanzien van eiser echter geen overname, maar een terugnameverzoek gedaan. Deze bepaling lijkt een codificatie van het arrest H en R van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Dit arrest zag op de Dublinverordening. Het Hof oordeelde dat, hoewel er bij terugname in principe geen beroep gedaan kan worden op de criteria voor vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, er een uitzondering bestaat voor terugname als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Dat artikel ziet op terugname van personen die hun asielaanvraag in de lidstaat waar zij oorspronkelijk asiel hebben aangevraagd hebben ingetrokken, voordat de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat was afgrond. Deze uitzondering is echter niet van toepassing op eiser. Oostenrijk heeft, zo blijkt uit het dossier, al besloten op zijn asielaanvraag. De vraag of Oostenrijk, gezien de criteria voor vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, verantwoordelijk is voor die aanvraag, is een gepasseerd station. Dat betekent dat eiser thans geen geslaagd beroep kan doen op de criteria voor vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat ook dit er niet toe kan leiden dat verweerder de aanvraag van eiser in behandeling had moeten nemen. De AMBV is, net als de Dublinverordening was, geen middel om gezinshereniging te krijgen. Dat in de considerans het belang van het kind en van het gezinsleven een eerste overweging is bij toepassing van de AMBV, maakt dit niet anders. Hoewel de rechtbank aanneemt dat eiser familieleven heeft met zijn gestelde echtgenote en dochter, ziet zij ook niet in waarom eisers echtgenote en dochter niet naar Oostenrijk zijn gereisd in plaats van naar Nederland. Zij zijn, zo is ter zitting gebleken, Europa immers later ingereisd dan eiser zelf. Het is de rechtbank verder niet duidelijk waarom zij, na de asielaanvraag in Nederland, niet door Oostenrijk zijn overgenomen op grond van artikel 10 Dublinverordening. Het was aan eiser om hier informatie over te verschaffen. Ten overvloede is het zo dat toepassing van artikelen 26, 27 of 28 van de AMBV naar hun tekst niet ertoe leiden dat de opvolgende aanvraag van eiser in Nederland zou moeten worden behandeld. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en kan worden overgedragen aan Oostenrijk.
Nu de rechtbank uitspraak doet in eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.