RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15739
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Hij stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1994. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gezien de medische situatie van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 december 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 2 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren zowel de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder het besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Op het moment van deze uitspraak is weliswaar de AMBV van toepassing, maar zover daar beperkingen uit voortvloeien, laat de rechtbank die uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming buiten beschouwing.
Op grond van de Dublinverordening en de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac blijkt dat eiser op 2 december 2025 in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 19 januari 2026 de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 22 januari 2026 zijn de autoriteiten van Bulgarije hiermee akkoord gegaan.
Welke feiten betrekt de rechtbank bij haar oordeel?
4. Eiser heeft in het aanmeldgehoor op 18 januari 2026 verklaard dat hij door zijn verblijf in Bulgarije psychische klachten heeft opgelopen. In de beroepsprocedure heeft eiser op 9 april 2026 medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser suïcidale gedachtes heeft. Eiser heeft op 25 mei 2026 een brief van een psychiater van KleurGZZ overgelegd waarin zijn psychische klachten en huidig medicijngebruik worden beschreven. Deze brief vormde voor verweerder aanleiding om bij Bureau Medische Advisering (BMA) een medisch advies op te vragen. Op 17 augustus 2026 heeft BMA een advies uitgebracht. Daarbij heeft BMA medische stukken van de huisarts van eiser van 10 augustus 2026 en van een verpleegkundig specialist en een psychiater van KleurGGZ van 26 juni 2026 betrokken. Uit de informatie en het advies volgt dat eiser bekend is met psychische klachten die passen bij PTSS. Eiser staat onder behandeling in de vorm van therapie (er werd gestart met EMDR) en medicatie (mirtazapine voor slaapproblematiek). Volgens het BMA-advies kan eiser niet reizen, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht wordt georganiseerd. Ook wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt en voldoende medicatie om de reis te overbruggen.
Heeft verweerder voor Bulgarije uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser voert, kortgezegd, aan dat verweerder niet had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije. Eiser wijst in dit verband op het meest recente AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025). Uit dit rapport blijkt volgens eiser niet dat er sprake is van beschikbaarheid van langdurige psychotherapie, traumabehandeling of gespecialiseerde psychiatrische behandeling. Het rapport vermeldt juist dat het zorgpakket ‘generally scarce’ is en ‘does not provide for any tailored medical or psychological treatment or support’. Eiser heeft ter aanvulling op het BMA-advies ook nog een verklaring van een specialistisch verpleegkundig van KleurGZZ van 19 augustus 2026 overgelegd waaruit volgt dat zij een verslechtering van eisers psychische toestand groot acht bij terugkeer naar Bulgarije.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan voor Bulgarije. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 april 2026. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat voor Bulgarije uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraak heeft de Afdeling niet het meest recente AIDA-rapport betrokken, maar volgens verweerder schetst het rapport van mei 2026 geen ander beeld dan het vorige AIDA-rapport waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Nu van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, mag volgens verweerder ook verwacht worden dat de gezondheidszorg in Bulgarije van gelijk niveau is als in Nederland.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat verweerder in beginsel ten opzichte van Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder in zijn algemeenheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan ten aanzien van Bulgarije. Daarnaast is ook niet in geschil tussen partijen dat bij eiser PTSS is vastgesteld en dat hij passende psychische zorg nodig heeft. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of eiser, na overdracht, in Bulgarije een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij voor eiser bij Bulgarije kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen.
Uit het AIDA-rapport van mei 2026 blijkt dat er geen specialistische (psychische) zorg aanwezig is in Bulgarije voor personen zoals eiser: ‘In this situation, special conditions for treatment of torture victims and persons suffering mental health problems are not available.’ Op de vraag ‘Is specialised treatment for victims of torture or traumatised asylum seekers available in practice?’ is het antwoord ‘no’ volgens het AIDA-rapport. Gelet op deze informatie uit het AIDA-rapport over de beschikbaarheid van adequate medische (waaronder psychische) zorg, bestaat een reëel risico dat bij overdracht aan Bulgarije geen passende psychische zorg voor eiser beschikbaar zal zijn en hij in een situatie belandt zoals bedoeld in het arrest Jawo. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het EU Handvest bij overdracht aan Bulgarije. Het standpunt van verweerder dat de Afdeling in haar eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat voor Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, doet hier volgens de rechtbank niet aan af, omdat dit alleen gaat over het asiel- en opvangsysteem in zijn algemeenheid, maar niet ziet op de individuele situatie van eiser die in deze zaak voorligt.
De rechtbank benadrukt dat deze conclusie specifiek ziet op de situatie van eiser als een persoon met een psychische kwetsbaarheid die gespecialiseerde (geestelijke) gezondheidszorg nodig heeft, nu tussen partijen niet in geschil is dat verweerder in zijn algemeenheid uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije.
Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit betekent dat eiser gelijkt krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramondt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.