RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.29603 en NL26.29604
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank (NL26.29603). Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.29604).
De rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) hebben het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.29603) niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.29604) af.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Bij bericht van 1 september 2026 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming (hierna ook: mob) is vertrokken. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder een screenshot van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers overgelegd, waaruit blijkt dat eiser op 31 augustus 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd bij bericht van 2 september 2026 aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat het hem niet bekend is waar eiser momenteel verblijft. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat bij raadpleging van de systemen in de ochtend van de zitting is gebleken dat eiser nog steeds geregistreerd staat als ‘met onbekende bestemming vertrokken’.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding.
4. Op basis van de hiervoor genoemde informatie stelt de rechtbank vast dat eiser zowel bij verweerder als bij zijn gemachtigde niet meer in beeld is. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Gelet hierop heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Gegeven de uitkomst van het beroep dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026 door mr. C.E. Bos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open.