RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49112
(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),
en
1. Deze uitspraak gaat over de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is gebruikt. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving is gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep is ook een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast?
3. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Eiser heeft onder andere aangevoerd dat de maatregel voor hem onevenredig bezwarend is. Hij heeft last van depressie en heeft zich suïcidaal uitgelaten. Verweerder heeft ten onrechte geen lichter middel toegepast.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder een lichter middel had moeten toepassen, beoordeelt de rechtbank of verweerder een grondig onderzoek heeft verricht naar de feitelijke elementen van het concrete geval en of verweerder de aangevoerde omstandigheden kenbaar in zijn besluit heeft betrokken.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van het lichter middel het volgende heeft overwogen:
“(X) De door de vreemdeling aangevoerde de feiten of omstandigheden aangevoerd, te weten:
''Ik heb proteïne tekort en een lage weerstand. Ook zijn mijn broer en zus hier in Nederland. Die wonen in Bussum.''
(zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwaarlijk omdat:
Vreemdeling geeft last te hebben van proteïne tekort en een lage weerstand te hebben. Tevens stelt de vreemdeling dat hij financiële ondersteuning van familie hier ten landen kan verkrijgen. Echter betekent dit niet dat hij zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan en maakt het onwaarschijnlijk dat hij zijn verblijf en uitreis zou kunnen bekostigen zodat hij niet uit eigen beweging zal vertrekken.
Dit overwegende heb ik, verbalisant, besloten geen lichter middel toe te passen. Op het aanmeldcentrum zijn voldoende medische voorzieningen.
Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken.”
Uit het gehoor, voorafgaande aan het opleggen van de maatregel, blijkt dat eiser het volgende heeft verklaard:
V: Lijdt u aan een ernstige ziekte of lichamelijk aandoening waarvoor u direct medische hulp nodig heeft en zo ja, welke en kunt u dit aannemelijk maken?
A: "Nee"
V: Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken:
A: ''Ik heb proteïne tekort en een lage weerstand.''
V: Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen?
A: ''Vier maanden geleden ben ik gestopt met Sertraline 50mg, tegen mijn depressie.''
(…)
V: Heeft u in Nederland of in de Europese Unie familieleden die hier rechtmatig verblijven dan wel op dit moment een asielaanvraag hebben lopen en zo ja, kunt u dit aannemelijk maken?
A: ‘’Ik heb een broer en een zus in Nederland wonen. Zij wonen in Bussum.’’
(…)
V: Zijn er andere spoedeisende of omstandigheden die aanleiding geven om aan u alsnog toegang te verlenen tot Nederland en u de gelegenheid te stellen uw asielaanvraag in vrijheid te doorlopen?
A: ‘’Ik heb last van depressie en ik kan niet opgesloten zitten. Misschien dat ik mezelf iets ga aandoe, dat trek ik niet.’’
De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers verklaring dat hij last heeft van depressie, dat hij niet opgesloten kan zitten en dat hij zichzelf misschien iets aandoet, niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming om wel of niet een lichter middel toe te passen. Uit de rechtspraak van het Hof en de Afdeling volgt dat verweerder dat wel had moeten doen. Nu dit niet is gebeurd, voldoet het bestreden besluit niet aan de vereisten zoals die volgen uit de rechtspraak. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het gehoor en de maatregel volgt dat de medische omstandigheden voldoende in acht zijn genomen. Ook heeft verweerder in zijn verweerschrift erop gewezen dat de medische dienst van het detentiecentrum op de hoogte is gebracht van de psychische kwetsbaarheid van eiser. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat dit er niet aan afdoet dat verweerder de psychische omstandigheden niet kenbaar in zijn bestreden besluit heeft betrokken. Voor de rechtbank is daarmee niet vast te stellen dat verweerder deze omstandigheden heeft meegewogen. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen.
Conclusie
4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.