[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres,
en
de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 3 maart 2026 op het bezwaar van eiseres tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten inzake de aan eiseres opgelegde aanslag gemeentelijke belastingen voor het jaar 2025 (de aanslag).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2026.
Eiseres is verschenen, vergezeld door een toehoorder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Aan eiseres is op 26 februari 2025 een aanslag gemeentelijke belastingen 2025 opgelegd.
2. Eiseres heeft op 5 maart 2025 verzocht om kwijtschelding van de aanslag.
3. Verweerder heeft eiser bij brief van 6 maart 2025, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:
‘’Uit de door u verstrekte (financiële) gegevens blijkt:
- Dat uw betalingscapaciteit toereikend is.
Besluit
Op basis hiervan hebben wij besloten geen kwijtschelding te verlenen voor de bovengenoemde aanslag.
Betalingsinformatie
Het uitstel van betaling is hiermee komen te vervallen. (…)’’
4. Op 17 maart 2025 heeft eiseres tegen de beslissing van 6 maart 2025 administratief beroep ingesteld. Verweerder heeft het beroepschrift op 24 maart 2025 ontvangen en deelt eiseres – voor zover hier van belang – het volgende mee:
‘’Uw beroep staat geregistreerd onder nummer 200814027,
Voorts delen wij u mee dat gedurende de behandeling van uw beroep uitstel van betaling wordt verleend. (…)’’
5. Per brief van 25 april 2025 heeft verweerder aanvullende gegevens opgevraagd.
6. Verweerder heeft eiseres bij brief van 20 mei 2025, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:
‘’ Aanvullend kenmerk 2008140279 (…)
Uw kwijtscheldingsverzoek hebben wij op 24 maart 2025 ontvangen. Het gaat om de volgende aanslag:
OmschrijvingAanslagnummer (…)
Gemeente-/waterschapsbelastingen [nummer]
Uit de door u verstrekte (financiële) gegevens blijkt:
- Dat uw betalingscapaciteit toereikend is.
dat wij inzake uw inkomsten en uitgaven, niet tot een juiste beoordeling kunnen komen. In de bijlage staat aangegeven welke informatie wij eerder bij u hebben opgevraagd.
Besluit
Op basis hiervan hebben wij besloten geen kwijtschelding te verlenen voor de bovengenoemde aanslag.
Betalingsinformatie
Het uitstel van betaling is hiermee komen te vervallen. De aanslag is nog niet (volledig) voldaan.
Het openstaande bedrag is € 611,61 (zonder eventuele invorderingsrente), vastgesteld op 19 mei
2025. Wij vragen u het volledige openstaande bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van
deze brief te betalen op rekeningnummer [rekeningnummer] , onder
vermelding van aanslagnummer [nummer] .
Beroep
Tegen deze beschikking kunt u beroep indienen. In de bijlage vindt u verdere informatie over het indienen van een beroep (…).’’
7. Eiseres heeft de aanslag gemeentelijke belastingen 2025 niet tijdig betaald. Verweerder heeft daarom met dagtekening 26 juni 2025 een aanmaning verzonden en daarbij € 21 aanmaningskosten in rekening gebracht.
8. Met dagtekening 30 juni 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanmaning en aanmaningskosten. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2026 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
9. In geschil is of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat het openstaande bedrag ten tijde van de zitting nog niet was betaald.
Kwijtschelding
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder nooit een uitspraak op administratief beroep heeft gedaan en dat daarmee nooit een volledige inhoudelijke heroverweging van het besluit van 6 maart 2025 heeft plaatsgevonden. Ook uit de brief van 20 mei 2025 blijkt niet dat er daarmee uitspraak was gedaan. Bovendien berust de brief op een onjuiste dossierkwalificatie. Verder voert eiseres aan dat verweerder haar beroep tegen de afwijzing ten onrechte heeft behandeld als een nieuw kwijtscheldingsverzoek.
11. De rechtbank begrijpt dat het proces rondom de kwijtschelding voor eiseres onduidelijk is en dat dit bij haar heeft geleid tot frustraties en het gevoel van onrechtvaardigheid. De rechtbank kan echter niet oordelen over deze procedure en wat daaromtrent door eiseres is aangevoerd. Voorzover eiseres namelijk heeft bedoeld beroep in te stellen tegen de kwijtscheldingsprocedure, geldt dat de rechtbank niet bevoegd is daarover te oordelen. De inning van belastingen is geregeld in de Invorderingswet (Iw). In de Iw en de Uitvoeringsregeling Iw zijn regels opgenomen over de kwijtschelding van belastingen. Deze regels zijn op grond van artikel 231 van de Gemeentewet ook van toepassing op de gemeentelijke-/waterschapsbelastingen. De rechtbank overweegt dat kwijtschelding van belastingen is geregeld in artikel 26 van de Iw. Ingevolge artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met bijlage 2 bij de Awb, hoofdstuk 1, onder artikel 1, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van artikel 26 van de Iw. De belastingrechter is dus niet bevoegd te oordelen in geschillen ten aanzien van beschikkingen inzake kwijtschelding en ook niet ten aanzien van het eventuele uitblijven van een beslissing op een kwijtscheldingsverzoek. Verder staat in artikel 8:5, tweede lid, van de Awb ook nog dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld. De belastingrechter is dus ook niet bevoegd om kennis te nemen van een beslissing van verweerder op het administratief beroep dan wel te oordelen over de vraag of uitspraak op administratief beroep (tijdig) is gedaan.
Aanmaning(skosten)
12. Volgens eiseres zijn de aanmaning en daarmee de aanmaningskosten ten onrechte aan haar in rekening gebracht, omdat het administratief beroep tegen de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek nog in behandeling is bij verweerder en dat het verleende uitstel van betaling (zoals is verleend in de brief van 24 maart 2025) nog niet was vervallen. De aanslag is volgens eiseres derhalve dan ook niet invorderbaar. Dat de brief van 20 mei 2025 dient te gelden als uitspraak op administratief beroep is volgens eiseres onvoldoende kenbaar en onduidelijk. Daarmee is het eveneens onvoldoende duidelijk dat het uitstel van betaling was vervallen, omdat het uitstel van betaling zou gelden gedurende de lopende procedure. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder voorafgaand aan de aanmaning een betalingsherinnering had moeten sturen. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat een volledige heroverweging van de aanmaning door verweerder ontbreekt nu alleen de aanmaningskosten zijn beoordeeld. Dit levert volgens eiseres een schending op van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
13. Verweerder stelt dat de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht.
14. De rechtbank begrijpt dat het beroep van eiseres zich richt tegen de gehele aanmaning en de procedure daaromtrent. De rechtbank stelt echter voorop dat de aanmaning zelf geen besluit is waartegen bezwaar of beroep bij de belastingrechter open staat. Ten aanzien van de beroepsgronden van eiseres inzake de inhoudelijk behandeling van de aanmaning zelf is de rechtbank dan ook niet bevoegd.
15. Zoals aangegeven onder 11 geschieden de heffing en invordering van onder andere gemeentelijke belastingen met toepassing van de Iw de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet). Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger haar schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen (artikel 11 Iw). Op grond van artikel 2 Kostenwet zijn voor het verzenden van een aanmaning tot betaling aanmaningskosten verschuldigd. Tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten staat bezwaar en beroep open (artikel 7, eerste lid, Kostenwet). Op de voet van deze bepaling is de belastingrechter wel bevoegd te beoordelen of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. De rechtbank zal deze vraag dan ook beantwoorden.
16. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanmaningskosten terecht aan eiseres in rekening gebracht. Uit de brief van verweerder van 20 mei 2025 blijkt dat het kwijtscheldingsverzoek van eiseres wegens een toereikende betalingscapaciteit van eiseres is afgewezen en dat het verleende uitstel is komen te vervallen. In de brief staat vermeldt dat het volledige openstaande bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van de brief moet worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is de mededeling dat het uitstel van betaling is vervallen duidelijk en ondubbelzinnig. Dat de beroepsprocedure eventueel nog in behandeling is bij verweerder, doet hier niet aan af. Het moet eiseres mede uit die brief duidelijk zijn geweest dat zij de aanslag moest betalen en het verleende uitstel van betaling was vervallen. Omdat eiseres op het moment van de aanmaning de aanslag nog niet had betaald en niet gebleken is dat er sprake was van verleend uitstel van betaling of een betalingsregeling, heeft verweerder eiseres op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen rechtmatig aangemaand en daarbij terecht aanmaningskosten in rekening gebracht.
Verzoek om informatie
17. Tot slot verzoekt eiseres in haar nader stuk van 31 juli 2026 de rechtbank om verweerder op te dragen nadere informatie inzake de beroepsprocedures en documenten met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder en de interne procedure over te leggen. Verweerder heeft ter zitting onweersproken aangegeven dat de door eiseres opgevraagde stukken zijn overgelegd dan wel openbaar raadpleegbaar zijn op de website van verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om aanvullende stukken op te vragen nu verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt. Dat verweerder beschikt over op de zaak betrekking hebbende stukken die hij desondanks niet aan de rechtbank heeft verstrekt, is voor de rechtbank niet aannemelijk geworden.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).