RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/4829
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en
(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).
Procesverloop
1. Met het besluit van 3 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is geëindigd.
Met het besluit van 22 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2. Eiseres heeft de Bulgaarse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1963. Omdat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft, is zij Unieburger.
In het voornemen van 7 september 2022 heeft verweerder eiseres bericht dat een onderzoek is ingesteld naar haar verblijfsrecht omdat uit informatie van de gemeente dan wel van de Sociale Verzekeringsbank blijkt dat zij een bijstandsuitkering dan wel een AIO-aanvulling op grond van de Participatiewet ontvangt. Door de uitkering belast eiseres het sociale bijstandsstelsel van Nederland. Er is twijfel ontstaan over de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres in Nederland. Aan eiseres is onder andere gevraagd om aan te geven met welk doel zij in Nederland heeft verbleven. Zij heeft hier niet op gereageerd.
Bij besluit van 3 november 2022 heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat haar verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is geëindigd. Eiseres stond in de periode van 27 februari 2014 tot 25 februari 2016 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp). Op grond van artikel 8.17, tweede lid, van het Vb, zijn de (eventueel) door haar opgebouwde rechten van vóór 25 februari 2016 vervallen, omdat zij langer dan zes maanden afwezig is geweest uit Nederland. De beoordeling van het rechtmatig verblijf van eiseres zal daarom over de periode vanaf 25 februari 2016 gaan. Uit onderzoek is gebleken dat eiseres van 4 december 2017 tot 25 februari 2018 reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, op grond waarvan zij in die periode rechtmatig verblijf heeft gehad als werknemer (op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb). Zij heeft vervolgens zes maanden rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8.12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb. De arbeid die zij in de overige periodes heeft verricht voldoet niet aan de genoemde vereisten. De uitzonderingen die zijn genoemd in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb, voor het niet beëindigen van het verblijfsrecht, zijn niet aan de orde. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres sinds 25 augustus 2018 niet meer aan de vereisten voldoet en dat het verblijfsrecht van eiseres is geëindigd.
Eiseres heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit. Op 9 oktober 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van dit beroep. In de onderhavige zaak heeft verweerder met het besluit van 3 november 2022 vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan is geëindigd maar inmiddels is het rechtmatig verblijf van eiseres weer hervat. Zij is per 15 januari 2026 geregistreerd als economisch actieve burger wegens een dienstverband per die datum.
4. Ter zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat er nog belang is bij een oordeel over de vraag of het verblijfsgat (de periode van 27 februari 2014 tot 25 februari 2016) juist is beoordeeld door verweerder. Die vraag hangt samen met de vraag of eiseres vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad dat recht geeft op (onbeperkt) duurzaam verblijfsrecht als Unieburger. Eiseres wordt gevolgd dat zij een procesbelang heeft en de rechtbank zal de opgeworpen vraag hierna beoordelen. Verweerder baseert zich in het besluit op het feit dat eiseres sinds 27 februari 2014 als niet-ingezetene stond geregistreerd in de Brp en dat zij pas sinds 25 februari 2016 weer staat ingeschreven. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de periode van 27 februari 2014 tot 25 februari 2016 wel in Nederland verbleef, ondanks dat zij niet stond ingeschreven. Ter onderbouwing heeft zij een verklaring van haar zoon, bankafschriften en een huisartsenjournaal overgelegd. Deze stukken zijn echter onvoldoende om aannemelijk te maken dat zij in de genoemde periode in Nederland verbleef. De verklaring van haar zoon, die een ruim aantal jaren na de relevante periode is opgesteld, is algemeen van aard en niet met enig objectief stuk onderbouwd. De bankafschriften en het huisartsenjournaal laten geen patroon van bestendig verblijf in de relevante periode zien. Bovendien is de vraag of eiseres duurzaam verblijfsrecht heeft al meerdere keren in andere procedures (na het bestreden besluit) beoordeeld. Daarbij is ook de vraag betrokken of eiseres in de genoemde periode tussen 2014 en 2016 in Nederland verbleef. De aanvragen van eiseres tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ van 14 maart 2024, 31 december 2024 en 2 september 2025 zijn bij besluiten van 18 juli 2024, 1 mei 2025 en 17 oktober 2025 afgewezen. De bezwaren van eiseres zijn ongegrond verklaard en eiseres heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen die besluiten, zodat die in rechte vaststaan. Het standpunt van eiseres dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangenomen dat eiseres in de periode van 27 februari 2014 tot en met 25 februari 2016 niet in Nederland verbleef, wordt daarom verworpen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.