ECLI:NL:RBDHA:2026:26087

ECLI:NL:RBDHA:2026:26087

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer NL26.50001
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewaring. Unieburger. Geen zodanige gebreken. Geen aanleiding voor een belangenafweging of het toekennen van een proceskostenvergoeding. Voldoende gronden om de vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Noodpaspoort. Het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen. Verwijderingsbesluit. Geen lichter middel. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50001

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Bulgaarse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw M.P. Ilieva als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Het voortraject en ontbreken van stukken

4. Eiser voert – samengevat – aan dat er zodanige gebreken zijn in het voortraject dat die moeten leiden tot opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De M122 (mededeling na strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring) is niet uitgereikt dan wel voor ontvangst door eiser getekend. Daarnaast staat in de M105-A (proces-verbaal van ophouding en onderzoek) dat met eiser in de Duitse taal zou zijn gesproken die hij in voldoende mate zou beheersen. Echter, uit het dossier blijkt niet dat eiser Duits spreekt. Verder staat in het proces-verbaal van gehoor dat er een terugkeerbesluit zou zijn uitgevaardigd, maar dat is hier niet aan de orde, aangezien eiser een EU-onderdaan is. Ook ontbreken vertrekgesprekken met eiser waarnaar in de maatregel wordt verwezen. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat indien de door hem genoemde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring, deze in onderling verband bezien wel zouden moeten leiden tot het toekennen aan hem van een proceskostenvergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van zodanige gebreken dat deze zouden moeten leiden tot opheffing van de maatregel. De rechtbank overweegt dat in de M122 staat dat deze op 7 augustus 2026 is uitgereikt. Dit formulier is op ambtseed opgemaakt en ondertekend door de desbetreffende ambtenaar, waardoor aangenomen mag worden dat dit op de juiste wijze is gebeurd. De minister stelt ook terecht dat er geen aanwijzingen zijn dat de M122 niet aan eiser is uitgereikt. Ook de M105-A is op ambtseed opgemaakt en ondertekend, waardoor aangenomen mag worden dat door de verbalisant is vastgesteld dat eiser de Duitse taal in voldoende mate beheerste om de informatie die hem is verteld te begrijpen. Voor het doen van mededelingen tijdens de ophouding is niet vereist dat het gesprek plaatsvindt in eisers moedertaal. Belangrijk is dat de informatie wordt begrepen. Overigens heeft eiser ook niet gesteld de Duitse taal niet te beheersen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van ophouding dat eiser geen contact wil met de consulaire vertegenwoordiging, maar wel met een advocaat en tolk waarna ook een advocaat en tolk zijn benaderd voor het bewaringsgehoor. Zijn rechten daarop zijn hem in het gehoor tijdens de ophouding met behulp van de Duitse taal meegedeeld. De rechtbank stelt vast dat eiser de Duitse taal kennelijk voldoende beheerst om in staat te zijn, zijn rechten te effectueren. De minister heeft op zitting toegelicht dat met het genoemde terugkeerbesluit het verwijderingsbesluit is bedoeld van 12 juni 2025 tot beëindiging van het verblijfsrecht waaruit een vertrekplicht is ontstaan, maar dat dit in spreektaal tevens een terugkeerbesluit wordt genoemd. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende duidelijk was voor eiser dat hij het land diende te verlaten vanwege intrekking van zijn verblijfsrecht als EU-burger, aangezien hij het desbetreffende besluit uitgereikt heeft gekregen en daarvoor heeft getekend. Verder is de rechtbank van oordeel dat het netter zou zijn geweest als de vertrekgesprekken door de minister waren toegevoegd aan het dossier, maar dat deze stukken niet doorslaggevend zijn voor het oordeel van de rechtbank, waardoor het niet een zodanige schending van de informatieverplichting oplevert dat sprake is van een gebrek. Daarom ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een belangenafweging of het toekennen van een proceskostenvergoeding. Deze beroepsgronden slagen niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?

6. Eiser heeft alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, met uitzondering van de gronden h en s, gemotiveerd betwist. Zo stelt eiser ten aanzien van grond a dat hij een noodpaspoort heeft die geldig was tot 24 juli 2026 en bij hem is aangetroffen. Uitgaande van de periode dat eiser naar Nederland is gekomen, was dat een geldig grensoverschrijdingsdocument. Over grond b voert eiser aan dat niet is onderzocht in het bewaringsgehoor of eiser na zijn eerdere uitzetting zijn centrum van bestaan zoals bedoeld in het arrest F.S. heeft verplaatst naar Bulgarije. Ten aanzien van grond p voert eiser onder verwijzing naar grond a aan dat hij wel een document heeft getoond, namelijk zijn noodpaspoort. Tot slot voert eiser ten aanzien van grond r aan dat hij een vriendin heeft en daar kan wonen.

De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde gronden voor de maatregel voldoende zijn om de vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. De minister mag grond a aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Het noodpaspoort van eiser was geldig tot 24 juli 2026, maar het is onbekend of dit ook nog zo was ten tijde van zijn inreis in Nederland. Eiser is voor het laatst op 29 juni 2026 Nederland uitgezet en is op 5 augustus 2026 in Nederland verdacht van diefstal. Het is onbekend wanneer eiser Nederland exact weer is binnengekomen. Eiser verklaart in het bewaringsgehoor “Ik reis met wat ik wil”, waardoor hij zelf ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daar komt bij dat het noodpaspoort op 25 juni 2026 is afgegeven om eiser uit te zetten naar Bulgarije, het is hem niet toegestaan om met dit paspoort weer naar Nederland te reizen als hij het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen (hierna: het centrum) niet heeft verplaatst naar Bulgarije.

De minister mag ook grond b aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft niet (met stukken) aangetoond dat hij het centrum naar Bulgarije heeft overgebracht. Zoals hiervoor al is besproken is eiser op 29 juni 2026 Nederland uitgezet en werd hij op 5 augustus 2026 in Nederland verdacht van diefstal. Het ruim een maand uit het zicht blijven van de Nederlandse autoriteiten kan naar zijn aard niet als bewijs dienen dat eiser het centrum heeft overgebracht. Dat eiser kort na zijn uitzetting weer naar Nederland is gekomen, duidt er eerder op dat het centrum aan Nederland gebonden is gebleven. Eiser heeft ook niets hierover in het bewaringsgehoor verklaard, maar verklaarde het volgende: “Maar ik ben met u uitgepraat omdat ik vind dat u domme vragen stelt. U doet maar wat u wilt en zet mij maar in vreemdelingenbewaring. Als ik uitgezet ga worden kom ik toch terug.” Het komt dan ook voor eisers rekening dat de minister het moet doen met de informatie die er is. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de minister dan ook terecht het verwijderingsbesluit van 12 juni 2025 aan eiser tegengeworpen en aan deze grond ten grondslag mogen leggen. De gronden a en b zijn feitelijk juist en zijn samen met de niet betwiste gronden h en s voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet. De omstandigheid dat eiser mogelijk bij zijn vriendin kan verblijven, geeft geen aanleiding voor een lichter middel. Gelet op eisers verklaringen dat hij niet terug wil en weer terug zou komen en zijn eerdere gedragingen na uitzettingen, is het risico op onderduiken te groot.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.W.H. Oude Aarninkhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand