Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/235522-21
Datum uitspraak: 9 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in [instelling] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 26 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Schmit naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 augustus 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in verenigingmet een of meer anderen, althans alleen,- een telefoon en/of- een Spaanse ID-kaart en/of- een Braziliaans paspoort en/of- laarzen en/of- schoenen en/of- een grijze Gucci tas en/of- een computer,in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd vangeweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met hetoogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bijbetrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzijde vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de handen van die [aangeefster] op haar rug vast te binden en/of- die [aangeefster] op bed te duwen en/of- een kussensloop en/of laken over het hoofd van die [aangeefster] te trekken en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangeefster][aangeefster] te richten en/of- het appartement waar die [aangeefster] verbleef te doorzoeken en/of- de telefoon van die [aangeefster] te doorzoeken en/of- te (laten) zeggen/appen dat die [aangeefster] 80.000 euro moet betalen, omdat zeeen eerder achtergebleven telefoon niet heeft teruggeven en/of- te (laten) zeggen/appen dat ze die [aangeefster] mee zullen nenem als ze niet gaatbetalen en haar zullen opsluiten en/of haar zullen vermoorden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in verenigingmet een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een anderwederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangeefster][aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van- een telefoon en/of- een Spaanse ID-kaart en/of- een Braziliaans paspoort en/of- laarzen en/of- schoenen en/of- een grijze Gucci tas en/of- een computer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangeefster]en/of een derde toebehoorde(n) door- de handen van die [aangeefster] op haar rug vast te binden en/of- die [aangeefster] op bed te duwen en/of- een kussensloop en/of laken over het hoofd van die [aangeefster] te trekken en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangeefster][aangeefster] te richten en/of- het appartement waar die [aangeefster] verbleef te doorzoeken en/of- de telefoon van die [aangeefster] te doorzoeken en/of- te (laten) zeggen/appen dat die [aangeefster] 80.000 euro moet betalen, omdat zeeen eerder achtergebleven telefoon niet heeft teruggeven en/of- te (laten) zeggen/appen dat ze die [aangeefster] mee zullen nenem als ze niet gaatbetalen en haar zullen opsluiten en/of haar zullen vermoorden.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde bepleit. De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte één van de daders is geweest. De verdediging stelt verder dat het ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, nu de feitelijke basis ontbreekt voor een nauwe en bewuste samenwerking.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat op 24 augustus 2021 een gewapende woningoverval heeft plaatsgevonden in Den Haag waarbij de overvallers de polsen van de aangeefster hebben vastgebonden en haar onder dreiging met een vuurwapen hebben bestolen. Ook werd er een kussensloop over het hoofd van de aangeefster getrokken. Bij het uitlezen van een van de telefoons van de aangeefster zijn videobestanden gevonden waarop striemen op beide polsen te zien zijn van de aangeefster vlak na het incident.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank overweegt dat de aangeefster [aangeefster] uitgebreid, consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de feiten en omstandigheden tijdens de overval. De aangeefster geeft signalementen van de overvallers, waarbij één overvaller wordt omschreven als een Marokkaanse man met een dik postuur. De aangeefster noemt hierbij expliciet dat dit de man is die zij herkende van de foto waarop de verdachte een politie-uniform aan had. Deze foto’s zijn aangetroffen in een telefoon die een van de overvallers bij een eerdere woningoverval heeft laten liggen in het appartement waar de aangeefster toen verbleef. De aangeefster verklaart dat het de verdachte is geweest die tijdens de tweede overval meermaals aan haar heeft gevraagd waar die telefoon was gebleven.
Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte aan de [adres] is de gestolen telefoon van de aangeefster gevonden. De verklaring van de verdachte dat dit niet zijn woning was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verdachte de huur van deze woning betaalde en dat het telefoonnummer, waarvan uit het dossier blijkt dat het in gebruik was bij de verdachte, hier vaak uitstraalt.
Verder heeft het telefoonnummer van de verdachte vlak voor de overval uitgestraald op een cell-id die dekking geeft op het adres [adres] . Tijdens de overval heeft ditzelfde telefoonnummer uitgestraald op een cell-id die dekking geeft op de plaats delict en na de overval heeft het telefoonnummer weer uitgestraald op de cell-id die dekking geeft op de [adres] . De tijden waarop de telefoon van de verdachte op deze plekken aanstraalt komen overeen met het tijdsbestek waarbinnen de overval blijkens de verklaringen van de aangeefster heeft plaatsgevonden.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenning door de aangeefster te vergelijken is met een enkelvoudige fotoconfrontatie. In dat kader stelt de verdediging dat de omstandigheden waaronder de herkenning door de aangeefster tot stand is gekomen, maken dat haar verklaring op dat punt onvoldoende betrouwbaar is om daaraan zelfstandige bewijswaarde toe te kennen. De rechtbank stelt voorop dat behoedzaamheid is geboden bij het gebruik van de verklaring van de aangeefster dat zij de verdachte op een foto heeft herkend. Gelet op de samenhang met andere bewijsmiddelen, zoals de zendmastgegevens en het aantreffen van de telefoon van de aangeefster in de woning van de verdachte, ziet de rechtbank echter geen reden te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster. De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster daarom voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te gebruiken.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat de verdachte in een groep van vier mannen de woning heeft betreden. De verdachte heeft vervolgens samen met een ander de aangeefster bedreigd met een pistool en de woning doorzocht.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 24 augustus 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in verenigingmet anderen, - een telefoon en- een Spaanse ID-kaart en- een Braziliaans paspoort en- laarzen en- schoenen en- een grijze Gucci tas en- een computer,die geheel aan [aangeefster] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door- de handen van die [aangeefster] op haar rug vast te binden en - die [aangeefster] op bed te duwen en- een kussensloop over het hoofd van die [aangeefster] te trekken en- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die[aangeefster] te richten en- het appartement waar die [aangeefster] verbleef te doorzoeken en- de telefoon van die [aangeefster] te doorzoeken
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. De officier van justitie ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat bij het te wijzen vonnis de gevangenneming van de verdachte zal worden bevolen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, indien het tot een strafoplegging komt, de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de redelijke termijn en het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is. De verdediging verzoekt daarnaast een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling, op te leggen, zoals door de reclassering is geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 24 augustus 2021 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende woningoverval. De bewoonster is bedreigd met een vuurwapen (of een voorwerp dat daarop leek), haar polsen zijn op haar rug aan elkaar gebonden, zij is op bed geduwd en heeft een kussensloop over haar hoofd gehad. De verdachte en zijn mededaders hebben de woning doorzocht en haar spullen meegenomen, waaronder haar paspoort, telefoon en computer.
De verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Het moet voor het slachtoffer een traumatische ervaring zijn geweest dat zij op deze wijze is overvallen in een woning. De ervaring leert dat slachtoffers van een woningoverval nog gedurende lange tijd de (psychisch) nadelige effecten daarvan ondervinden. Dit blijkt des te meer uit de verklaring van het slachtoffer, waarin zij aangeeft dat ze therapie volgt bij een psycholoog voor de gevolgen die zij heeft ontwikkeld na de overval. Daarnaast heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte op 19 januari 2023 onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 4 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een dagbesteding en medewerking aan het aflossen van schulden.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een woningoverval. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren bij licht geweld en een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren bij ander geweld. In deze zaak weegt de rechtbank mee dat de verdachte met zijn mededaders het slachtoffer continu heeft bedreigd door een vuurwapen op haar te richten, haar polsen heeft vastgebonden en een kussensloop over haar hoofd heeft getrokken. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte in vereniging heeft gehandeld. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop.
Strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden is. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding omdat er al eerder reclasseringstoezicht aan de verdachte is opgelegd, zonder resultaat.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Bevel gevangenneming
De rechtbank zal tevens de gevangenneming voor het bewezenverklaarde feit van de verdachte bevelen. Er bestaan tegen de verdachte ernstige bezwaren dat hij zich aan deze ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt, gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Voorts zijn er gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die een onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vorderen, aangezien er, gelet op de aard van de feiten, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan.
Voorwaardelijke verzoeken
De rechtbank wijst de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] af, omdat zij zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en derhalve de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet is gebleken. Bovendien worden de verklaringen van de verzochte getuigen door de rechtbank niet voor het bewijs gebruikt.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;
voorlopige hechtenis
beveelt de gevangenneming van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. V.J.J. van Mierlo en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 september 2026.