ECLI:NL:RBDHA:2026:2611

ECLI:NL:RBDHA:2026:2611

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-01-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer NL25.63350 en NL25.63482
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Beroep tegen aanvullend terugkeerbesluit ongegrond. Geen sprake van een concrete aanwijzing die noopt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling, geen schending van het beginsel van non-refoulement als eiser naar Libië dan wel Marokko moet terugkeren. Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw ongegrond. Geen gebrek in het voortraject. Er ligt een geldig terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag. Niet gebleken van omstandigheden die tot een lichter middel hadden moeten leiden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.63350 en NL25.63482

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),

en

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

Met het besluit van 23 december 2025 (het aanvullend terugkeerbesluit) heeft verweerder aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit (naast Marokko nu ook Libië) opgelegd.

Met het besluit van 23 december 2025 (de bewaringsmaatregel) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit heeft zaaknummer NL25.63482. Het beroep tegen de bewaringsmaatregel heeft zaaknummer NL25.63350 en dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. E-Rramdani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde (via Teams-verbinding).

Overwegingen

1. In voorgaande procedures heeft eiser gesteld de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Inmiddels heeft eiser verklaard de Libische nationaliteit te hebben.

Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit (NL25.63482)

2. In het aanvullend terugkeerbesluit heeft verweerder, in aanvulling op het eerdere terugkeerbesluit van 15 januari 2025, bepaald dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Marokko en op Libië. Een afschrift van dit besluit is onmiddellijk aan eiser uitgereikt.

3. Eiser stelt zich (kort gezegd) op het standpunt dat onvoldoende deugdelijk is onderzocht of uitzetting naar Libië dan wel Marokko in strijd is met het non-refoulement beginsel, waaronder zijn medische gesteldheid, en verwijst daarvoor naar het arrest Adrar en het arrest Ararat.

4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder een onderzoeksplicht heeft en op basis van wat wordt aangevoerd (en de gegevens uit het dossier en informatie over het land waar hij naartoe moet terugkeren) een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat eiser bij terugkeer naar Libië dan wel Marokko geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. En de rechtbank moet op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens ambtshalve nagaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is die noopt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling.

5. De rechtbank constateert vervolgens dat in het aanvullend terugkeerbesluit niet kenbaar is ingegaan op het beginsel van non-refoulement. Dat maakt echter niet zonder meer dat de (aanvullende) terugkeerverplichting niet in stand kan blijven. De rechtbank stelt in dat verband vast dat eiser voorafgaand aan de oplegging van het aanvullend terugkeerbesluit is gehoord en dat is een summier gehoor geweest. Eiser is echter kort daarvoor door dezelfde ambtenaar ook gehoord over de oplegging van de bewaringsmaatregel. Tijdens dat gehoor is het beginsel van non-refoulement aan de orde gekomen, waarbij vragen zijn gesteld over terugkeer naar Marokko en Libië. Over deze gang van zaken heeft eiser overigens geen beroepsgronden aangevoerd. Verweerder wijst er vervolgens terecht op dat eiser toen is gevraagd (op pagina 5) wat hij ervan vindt dat hij wordt teruggestuurd naar Marokko dan wel Libië, waarop hij antwoordt: “Mijn hele familie is hier in Europa. Ik kan niet terug gaan naar Libië.” Over Marokko heeft hij toen niets gezegd. Verder heeft eiser verklaard dat hij niemand kent in Libië en hij Libië heeft verlaten toen hij heel jong was (pagina 7). Op de zitting heeft eiser hierover nog verklaard dat hij niet terug kan naar Libië vanwege problemen met een erfenis. Eiser heeft dat echter niet onderbouwd en verweerder wijst er bovendien terecht op dat eiser daar eerder niets over heeft gezegd, ook niet tijdens het vertrekgesprek van 29 december 2025 (waarin hij nogmaals verklaarde dat “hij niemand in zijn land heeft en niet terug kan naar Libië.”). Eiser heeft daarnaast niets verklaard over de redenen waarom hij nu niet terug kan naar Marokko (overigens ook niet in het vertrekgesprek van 29 december 2025). Op de zitting is dat desgevraagd evenmin concreet gemaakt of toegelicht, anders dan dat wordt gezegd dat verweerder dat had moeten onderzoeken en dit niet heeft gedaan. Dat mag echter wel van eiser worden verwacht en verlangd als hij stelt dat hij nu niet terug kan naar Marokko terwijl hij dat wel moet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding was voor verweerder om in het aanvullende terugkeerbesluit – naast de daarin opgenomen overweging dat niet is gebleken dat er afgezien zou moeten worden daarvan – nader te motiveren dat hij zich ervan heeft vergewist dat eiser bij terugkeer naar Libië dan wel Marokko geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van de rechtbank (in beroep) ook geen sprake is van een concrete aanwijzing die noopt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling dan wel leidt tot de conclusie dat het beginsel van non-refoulement wordt geschonden als eiser naar Libië dan wel Marokko moet terugkeren. De enkele verwijzing van eiser naar wat hij verklaarde over zijn psychische problemen leidt niet tot een ander oordeel hierover. Dat alleen maakt namelijk ook niet dat (er concrete aanwijzingen zijn dat) aan hem geen terugkeerverplichting naar Marokko en Libië kan worden opgelegd. Eiser heeft gezegd dat hij psychische problemen heeft en ook dat hij medicatie daarvoor gebruikt. Maar eiser heeft niet onderbouwd dat hij daardoor niet terug kan naar Libië dan wel Marokko omdat dan een reëel risico bestaat op ernstige, onomkeerbare gezondheidsschade en een schending van artikel 3 van het EVRM wegens zijn medische (psychische) situatie. Eiser heeft bovendien de mogelijkheid om uitstel van vertrek aan te vragen op grond van artikel 64 Vw 2000 als hij vindt dat hij wegens medische (psychische) redenen niet terug kan keren naar Libië dan wel Marokko, waarin dan (juist) een medische beoordeling daarvan plaatsvindt. Dat was op de zitting (nog) niet gedaan.

6. Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit is daarom ongegrond.

Het beroep tegen de bewaringsmaatregel (NL25.63350)

De maatregel van bewaring

7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Het voortraject

8. Eiser voert aan dat het voortraject, waaronder de ophouding voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring, onrechtmatig is geweest. Ten eerste omdat deze ophouding op de onjuiste grondslag is gebaseerd. Eiser is na overname vanuit het strafrecht opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000, maar toen waren zijn personalia al bekend. Ten tweede is onduidelijk wat in het strafrechtelijk voortraject plaatsgevonden heeft. Eiser is op 23 december 2025 om 00:22 uur (strafrechtelijk) aangehouden en is om 13:10 uur overgenomen en opgehouden aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Het is onduidelijk waarom dit niet veel eerder heeft plaatsgevonden en eiser heeft hierdoor bijzonder lang in een politiecel verbleven.

9. De rechtbank overweegt dat de ophouding na de strafrechtelijke aanhouding op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden, omdat de identiteit van eiser niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte en uit het proces-verbaal van ophouding (M105-A) blijkt immers dat eiser geen identificerende documenten bij zich had en zijn identiteit toen dus niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, zodat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 is opgehouden. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 26 december 2025 dat eiser opgaf te zijn [eiser], geboren te Libië, terwijl hij uit onderzoek bleek te zijn [eiser], geboren op [geboortedatum] 2003. Uit onderzoek bleek daarnaast dat eiser bekend is onder verschillende aliassen. De stelling van eiser dat zijn personalia al bekend waren bij zijn strafrechtelijke aanhouding volgt de rechtbank daarom ook niet. Daar komt bij dat verweerder de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit tot uitgangspunt mag nemen, maar hiertoe niet verplicht is.

10. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte en uit het proces-verbaal van ophouding (M105-A) voldoende duidelijk blijkt dat eiser – voordat hij op 23 december 2025 aansluitend vreemdelingenrechtelijk is overgenomen en opgehouden – op strafrechtelijke grond is aangehouden en daarover mag de bewaringsrechter niet oordelen. Voor zover eiser meent dat aan dit strafrechtelijk traject een gebrek kleeft (omdat onduidelijk is waarom het strafrechtelijk traject lang duurde en of dat wel rechtmatig was), dient eiser dat voor te leggen aan de daartoe bevoegde rechter.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een gebrek in het voortraject.

De grondslag van de maatregel

12. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat er geen rechtsgeldig terugkeerbesluit aan ten grondslag ligt. Niet is gebleken dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025, waar in de bewaringsmaatregel naar wordt verwezen, op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het aanvullend terugkeerbesluit kan evenmin aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, omdat niet is onderzocht of dit besluit in strijd is met het non-refoulement beginsel.

13. De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn standpunt dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025 niet aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd omdat er niet zonder meer van uit kan worden gegaan dat het terugkeerbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank stelt hierover vast dat eiser op 3 maart 2023 een asielaanvraag heeft ingediend en daarna met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft bij besluit van 23 augustus 2023 de asielaanvraag van eiser eerst niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Eiser werd echter niet tijdig overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor Nederland op 28 oktober 2024 alsnog verantwoordelijk is geworden. Verweerder heeft vervolgens op 31 december 2024 een voornemen verzonden, bij besluit van 15 januari 2025 de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld en daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat zowel het voornemen als dit terugkeerbesluit van 15 januari 2025 naar de toenmalige bij verweerder (in verband met zijn nog openstaande asielaanvraag) bekende gemachtigde van eiser is gestuurd en dat van deze gemachtigde ook geen reactie is gekomen (bijvoorbeeld dat deze eiser daarin niet meer bijstaat). De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende toegelicht is dat het terugkeerbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dat eiser op dat moment met onbekende bestemming was vertrokken, hij geen contact (meer) had dan wel heeft gehouden met de gemachtigde die hem bij zijn asielaanvraag bijstond en ook zelf niet heeft laten weten hoe hij voor verweerder te bereiken was, moet voor zijn risico blijven. Dat het terugkeerbesluit niet (ook) in de Staatscourant is geplaatst dan wel in Ter Apel ter inzage is gelegd, leidt dus niet tot het oordeel dat het terugkeerbesluit niet aan de maatregel ten grondslag mag worden gelegd.

14. De rechtbank overweegt verder, onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 5 en 6, dat het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan de terugkeerverplichting naar Libië dan wel Marokko die in het aanvullende terugkeerbesluit staan en dat er dus ook al hierom een geldig terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag ligt. De bekendmaking van het aanvullend terugkeerbesluit van 23 december 2025 heeft eiser niet bestreden.

15. Dit betekent ook dat er nu geen aanknopingspunten zijn dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Libië dan wel Marokko. Dat daarover in de maatregel niet een uitdrukkelijke overweging is opgenomen, maakt de maatregel niet onrechtmatig. Mede gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 5, weegt in dit geval het (verdedigings)belang van eiser onvoldoende op tegen verweerders algemene belang om eiser in bewaring te stellen (en te houden) in verband met zijn terugkeer naar Libië dan wel Marokko. Meeweegt daarbij ook dat uit de overwegingen hieronder volgt dat de maatregel terecht is opgelegd wegens een onttrekkingsrisico.

Gronden van de maatregel

16. Eiser heeft opgemerkt dat het onzorgvuldig is dat hem bij het bewaringsgehoor is voorgehouden dat twee zware gronden (in plaats van vier) en drie lichte gronden worden tegengeworpen. Eiser heeft daardoor tijdens het bewaringsgehoor niet kunnen reageren op alle gronden die hem in de maatregel worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt hierover dat aan eiser tijdens het bewaringsgehoor is voorgehouden dat hem de zware gronden 3b, 3c en 3i alsook de lichte gronden 4a, 4c en 4d worden tegengeworpen. De zware grond 3a is daarbij als enige niet genoemd, maar eiser bestrijdt die grond in beroep niet. De rechtbank ziet al daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldigheid die gevolgen zou moeten hebben.

17. Eiser voert verder (samengevat) het volgende aan. Over grond 3b stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder tegenwerpt dat eiser geen document als bedoeld in artikel 4.21 Vb heeft kunnen tonen en dat hij geen mededeling zou hebben gedaan van onrechtmatig verblijf. Volgens eiser is dit geen onderbouwing van deze zware grond, maar hoort dit bij de lichte grond 4a. Bovendien stelt verweerder dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken, maar in het dossier ontbreekt een mob-melding of een andere wijze van onderbouwing. Deze grond kan hem daarom niet worden tegengeworpen.

Over grond 3c en 3i voert eiser aan dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025, waar in de bewaringsmaatregel naar wordt verwezen, niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het aanvullend terugkeerbesluit kan evenmin aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, omdat niet is onderzocht of dit besluit in strijd is met het non-refoulement beginsel. Ten aanzien van de lichte gronden voert eiser aan dat een nadere op de persoon betrekking hebbende toelichting waarom uit deze gronden een risico op onttrekking zou volgen ontbreekt.

18. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser heeft zware grond 3a niet bestreden en ook de rechtbank is van oordeel dat deze grond feitelijk juist is en samen met de toelichting daarbij terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd.

Wat de zware grond 3b betreft heeft verweerder in de maatregel toegelicht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en de procedure over zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht. Eiser kon daarom ook niet worden overgedragen aan Oostenrijk, zo is toegelicht. Eiser heeft tijdens het bewaringsgehoor (pagina 5) daarover verklaard dat hij, nadat hij asiel had aangevraagd in Nederland, is vertrokken en hij zijn moeder ging zoeken in Italië. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht. Deze zware grond is dus feitelijk juist. De enkele stelling van eiser dat de mob-melding ontbreekt in het dossier is onvoldoende om daaraan te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat zware grond 3b kan worden tegengeworpen.

Wat de zware gronden 3c en 3i betreft verwijst de rechtbank in de eerste plaats ook naar wat is overwogen in rechtsoverwegingen 5, 6, 13 en 14. Daaruit volgt dat het terugkeerbesluit van 15 januari 2025 op juiste wijze bekend is gemaakt en dat het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan de (aanvullende) terugkeerverplichting naar Libië dan wel Marokko. Vast staat verder dat eiser niet is teruggekeerd naar Marokko, zodat deze grond feitelijk juist is. Dat eiser niet op de hoogte was van het terugkeerbesluit (van 15 januari 2025) komt voor rekening van eiser zelf, nu hij tijdens de aanvraagprocedure is vertrokken zonder te zeggen waarheen en zonder daarover contact te onderhouden (met een gemachtigde dan wel verweerder). Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om bekend te raken met dan wel zich op de hoogte te (laten) stellen van de uitkomst van zijn asielaanvraag en de gevolgen daarvan. Verweerder heeft eiser daarom mogen tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting terug te keren naar Marokko (3c). Eiser heeft daarnaast tijdens zijn bewaringsgehoor (en dat heeft hij nog eens herhaald in het vertrekgesprek van 29 december 2025) verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Marokko of Libië (3i). Ook deze grond is dus feitelijk juist en kan eiser worden tegengeworpen.

Wat de lichte gronden 4c en 4d betreft overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft betwist dat hij niet geregistreerd staat in het BRP, geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft, niet kan aantonen dat hij pas weer kort in Nederland is en hij daarnaast niet over voldoende middelen beschikt waarmee hij zijn terugkeer naar Marokko of Libië kan bekostigen. Ook de rechtbank stelt vast dat deze lichte gronden feitelijk juist zijn en dat in de maatregel ook voldoende voor eisers situatie is gemotiveerd waarom deze gronden het risico op onttrekking aan het toezicht onderbouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden 4c en 4d, samen met de daarbij gegeven toelichting, samen voldoende om aan te nemen dat in eisers situatie een risico op onttrekking bestaat. Deze gronden samen kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.

Lichter middel

19. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Eiser heeft verklaard dat hij psychisch ziek is, onder behandeling heeft gestaan bij een psycholoog en dat hij medicatie gebruikt die hij zelf niet bij zich heeft. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de medische dienstverlening in het detentiecentrum hem daadwerkelijk adequate zorg kan verlenen en dat eiser niet detentieongeschikt zou zijn, omdat hij specialistische behandeling en driemaal daags medicatie nodig heeft.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Voorop staat daarbij dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de toelichting hierop het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht onttrekt. Dat is in de maatregel voldoende toegelicht en gemotiveerd. Verweerder heeft bij haar besluitvorming ook de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken, waaronder zijn psychische problemen en medicatiegebruik. De GGD-arts is naar aanleiding van wat daarover is besproken in kennis gesteld om eiser nog te bezoeken voor zijn vertrek naar Detentiecentrum Rotterdam. Bovendien zal hij een medische intake krijgen. De rechtbank leidt hieruit af dat er voldoende (medische) aandacht is voor eiser. Niet is gebleken dat eiser in het detentiecentrum niet de (psychische) zorg en medicatie krijgt die hij nodig heeft. Van belang is daarbij dat de medische zorg die in het detentiecentrum beschikbaar is gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Mochten zich medische of psychische omstandigheden voordoen, dan zijn alle medische faciliteiten op het detentiecentrum aanwezig. Verder is daar voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (mensen met psychische problemen) in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, wordt eiser overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Uitgangspunt is dan ook dat ervan kan worden uitgegaan dat in het detentiecentrum de benodigde zorg voor eiser beschikbaar is. Dat dit in zijn geval toch anders is, heeft eiser niet onderbouwd (met bijvoorbeeld medische stukken). De rechtbank is ook verder niet gebleken van (andere) feiten of omstandigheden die tot een lichter middel (hadden) moeten leiden of dat de detentie voor eiser onevenredig bezwarend is (geworden).

Voortvarendheid

21. Verweerder heeft de rechtbank in de aanbiedingsbrief van 5 januari 2026 geïnformeerd over de laatste stand van zaken. Daaruit blijkt dat eiser op 24 december 2025 is geplaatst in het detentiecentrum. Op 29 december 2025 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op diezelfde dag zijn de lp-aanvragen voor Marokko en Libië ingevuld en verzonden naar de afdeling DIA van DT&V. Op 31 december 2025 is de lp-aanvraag Libië

doorgezonden aan de Libische autoriteiten. Op verzoek van DIA heeft de regievoerder op 31 december 2025 de ontbrekende (natte) dacty opgevraagd bij AVIM Limburg. Deze zijn op 2 januari 2026 ontvangen door de afdeling DIA. Op 6 januari 2026 zal de lp-aanvraag Marokko worden doorgezonden aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daar heeft eiser in beroep ook niets over aangevoerd.

Ambtshalve toets en conclusie

22. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

23. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Conclusie over de beroepen

24. De beroepen zijn ongegrond en het verzoek om schadevergoeding in NL25.63350 wordt afgewezen.

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding in NL25.63350 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die over het aanvullend terugkeerbesluit (NL25.63482) gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak, voor zover die over de maatregel van bewaring (NL25.63350) gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.H. Broier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?