de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland (hierna: Duitsland) verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland de autoriteiten van Duitsland op 19 februari 2026 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 23 februari 2026 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Mag de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De opvangvoorzieningen in Duitsland voldoen volgens eiser niet aan de minimale vereisten. Het eten bijvoorbeeld was slecht. Ook was sprake van discriminatie en racisme in de opvang. Volgens eiser voldoet Duitsland daarom niet aan de bepalingen in de Opvangrichtlijn. Ook is sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM, omdat eiser door gebrek aan adequate opvang niet in staat is geweest om een privéleven te kunnen genieten. Eiser wilde hierover klagen, maar hem werd verteld dat als hij zou klagen bij een Duitse autoriteit, hij direct zou worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Eiser kan niet met documenten aannemelijk maken dat hij heeft geklaagd, omdat hij dus feitelijk gezien niet in de gelegenheid is gesteld om te klagen. Bij een overdracht aan Duitsland vreest eiser bovendien dat hij geen opvang en leefgeld zal krijgen. Eiser doet een beroep op het AIDA-rapport over Duitsland (update 2024), die de slechte situatie voor Dublinterugkeerders beschrijft. Volgens eiser zal er bij een overdracht aan Duitsland bovendien sprake zijn van (indirect) réfoulement.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) nog recent in de uitspraak van 20 maart 2026 bevestigd. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling van 20 maart 2026. Daarbij bevat het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk andere informatie dan volgt uit de eerdere AIDA-rapporten die door de Afdeling zijn beoordeeldHet AIDA-rapport, update 2024 geeft daarom geen aanleiding voor een ander oordeel.
Over eisers stelling dat de opvang die hij in Duitsland heeft gehad slecht was, oordeelt de rechtbank dat eiser daarover kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Datzelfde geldt voor het racisme en de discriminatie. Niet is gebleken dat eiser niet kan klagen. Eisers stelling dat hij heeft geprobeerd te klagen, maar dat gedreigd is hem terug te sturen naar zijn land van herkomst, volgt de rechtbank niet, omdat deze stelling op geen enkele manier is onderbouwd. Ook deze stelling kan dus niet leiden tot het oordeel dat er ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de Afdeling op 12 juni 2024 heeft geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet kan worden beoordeeld of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Pas wanneer een vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van systeemfouten in de aangezochte lidstaat, kan het interstatelijk vertrouwensbeginsel in twijfel worden getrokken en pas dan is er ruimte om te kijken naar een eventueel risico op (indirect) refoulement. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de minister ten aanzien van Duitsland niet meer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Eisers vrees dat Duitsland zijn asielaanvraag niet op een juiste manier zal beoordelen omdat dit eerder ook niet is gebeurd, is onvoldoende om niet uit te mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties.
Privéleven
3. Eiser doet een beroep op het recht op persoonlijk en familieleven zoals dat wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Dit beroep moet worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland en kan niet worden beoordeeld in deze Dublinprocedure; als eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in Nederland wil blijven, moet hij een verblijfsvergunning met dat doel aanvragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eisers asielaanvraag vanwege bijzondere, individuele omstandigheden aan zich moeten trekken?
Eiser voert verder aan dat de minister eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De psychische druk bij eiser is zodanig hoog, dat van overdracht aan Duitsland moet worden afgezien.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft de stelling dat hij psychische druk ervaart immers niet onderbouwd met medische stukken. Al daarom heeft de minister geen reden hoeven zien om aan te nemen dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Eisers enkele stelling dat hij in Duitsland onterecht is veroordeeld valt verder buiten de beoordeling van de Nederlandse rechter. Hierover kan eiser desgewenst in Duitsland de nodige procedures volgen. Ook dit punt leidt daarom niet tot het oordeel dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt en maakt evenmin dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.14253) ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.14254) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.