Gezag
Beschikking op het op 17 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Kartal in Rotterdam.
Procedure
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 augustus 2026 een beslissing over het gezamenlijk gezag aangehouden tot 10 augustus 2026.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak van 4 augustus 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 4 augustus 2027 en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader tot 4 februari 2027.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Gezag
De vader verzoekt te worden belast met het gezamenlijk bezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
De rechtbank zal de vader belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De situatie is nu dat de kinderen bij de vader verblijven en hij een actieve rol heeft in de opvoeding van de kinderen. Het ligt daarom voor de hand dat de vader mede wordt belast met het gezag. Niet zozeer zodat de vader dan zelfstandig beslissingen kan nemen, want daar heeft hij de moeder voor nodig, maar dat wordt aangesloten bij de huidige situatie. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de vader mede belasten met gezag geen verandering betekent voor de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling blijft onveranderd doorlopen, ook richting de vader (Hoge Raad van 11 december 1987, NJ 1988/724).
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een deel van de eerdere onderzoeksvragen aan de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) achterhaald is. De rechtbank wil de Raad vragen het onderzoek aan te passen en de volgende vragen daarbij beantwoorden.
Vervangende toestemming
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 juli 2026 is tot slot besproken dat de ouders nog tegen een aantal beslissingen aanlopen. De moeder heeft op mondeling verzoek van de vader op drie punten haar toestemming gegeven aan de vader. De vader kan [minderjarige 3] aanmelden bij een kinderpsycholoog in [plaats], de kinderen inschrijven bij een huisarts in [plaats] en hij kan zelfstandig beslissen wanneer het nodig is dat de kinderen naar de huisarts gaan.
De rechtbank zal in deze beschikking het gezag gezamenlijk vaststellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toewijzen in het kader van artikel 1:253a BW. Zij acht het namelijk in het belang van [minderjarige 3] dat hij naar de psycholoog kan en de kinderen als dat nodig is naar een huisarts in de buurt van vader kunnen gaan.
De rechtbank zal de procedure voor het overige aanhouden voor de duur van zes maanden, omdat zij ervan uitgaat dat het onderzoek van de Raad dan klaar is. Mocht het onderzoek langer duren, dan geeft de rechtbank partijen op voorhand mee dat de zaak in dat geval wordt aangehouden totdat het onderzoek is afgerond.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – om [minderjarige 3] aan te melden bij een kinderpsycholoog in [plaats], om de minderjarigen in te schrijven bij een huisarts in [plaats] en zelfstandig te beslissen wanneer het nodig is dat de minderjarigen naar de huisarts gaan;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming het bij beschikking van 15 april 2026 gelaste onderzoek aan te passen en na onderzoek de volgende vragen te beantwoorden:
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 3 februari 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en doorverwijzing naar hulpverlening aan;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
*
wijst af het meer of anders verzochte.