Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/053712-26
Datum uitspraak: 11 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Turkije),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 juni 2026 (pro forma) en 28 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.M.H.M. den Dekker naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte wordt er, kort gezegd, van verdacht dat hij (feit 1) in de periode van 1 juni 2025 tot en met 31 december 2025 in Den Haag vier medewerkers heeft belaagd van diverse verzorgingstehuizen van WoonZorgcentra Haaglanden (WZH) door zeer frequent naar deze verzorgingshuizen te bellen en daarbij telkens te zwijgen en/of te hijgen. Tevens wordt hij ervan verdacht (feit 2) dat hij in die periode opzettelijk enig geautomatiseerd werk of werk voor telecommunicatie onbruikbaar heeft gemaakt door de telefoonlijnen van deze verzorgingstehuizen bezet te houden, waardoor gevaar voor personen en/of verlening van diensten te duchten was.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage II bij dit vonnis opgenomen.
Bewijsoverwegingen
Gehackte telefoon
De verdachte heeft eerder en tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat zijn telefoon waarschijnlijk was gehackt en dat hij niet de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
De rechtbank stelt vast dat naar de stelling van de verdachte onderzoek is gedaan door de politie, waarvan een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt dat deel uitmaakt van het dossier. Uit voornoemd proces-verbaal volgt geen enkele indicatie die het door de verdachte naar voren gebrachte scenario van een gehackte telefoon ondersteunt. Gelet hierop bestaat er voor de rechtbank geen enkele reden om geloof te hechten aan de hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte dat hij is gehackt, waardoor zij dit verweer zal verwerpen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het de verdachte moet zijn geweest die stelselmatig heeft gebeld naar vier medewerkers van Woonzorgcentra Haaglanden, waarmee sprake is geweest van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op hun levenssfeer en het onbruikbaar maken van de telefoonlijnen van de organisatie. Hierbij is gevaar voor personen en de verlening van diensten te duchten geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. hij op tijdstippen in de periode van 01 juni 2025 tot en met 31 december 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van
- [medewerker 1] en
- [medewerker 2] en
- [medewerker 3] en
- [medewerker 4] ,
zijnde medewerkers van verschillende locaties van verzorgingstehuizen van WoonZorgcentra Haaglanden (WZH), terwijl deze personen als verpleegkundige of verzorgende of medewerker servicepoint werkzaam waren in een verzorgingstehuis, door zeer frequent (met een anoniem telefoonnummer) naar deze verzorgingstehuizen te bellen en daarbij
- te zwijgen of
- te hijgen,
met het oogmerk die voornoemde medewerkers van de verzorgingstehuizen, te dwingen iets te doen en te dulden.
2. hij op tijdstippen in de periode van 01 juni 2025 tot en met 31 december 2025 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (door middel van zeer frequent anoniem te bellen) enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens en enig werk voor telecommunicatie, te weten:
de telefoonlijnen van diverse locaties van verzorgingstehuizen van WoonZorgcentra Haaglanden (WZH) waarop
- noodmeldingen van alarmknoppen van bewoners en/of
- meldingen van valdetectie-sensoren en/of
- telefoontjes van artsen en/of
- veiligheidsalarmen voor medewerkers
binnen komen telkens onbruikbaar heeft gemaakt, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en voor de verlening van diensten te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, bestaande uit een contact- en locatieverbod voor alle vestigingen van Woonzorgcentra Haaglanden, behalve in het geval de moeder van de verdachte in een van die vestigingen is opgenomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat in geval van veroordeling aan de verdachte een gevangenisstraf kan worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan, althans niet langer is dan, de reeds ondergane voorlopige hechtenis.
Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank dat noodzakelijk acht, tevens een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte kan worden opgelegd met daaraan gekoppeld een ruime proeftijd en bijzondere voorwaarden.
Ten slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat zwaar dient te worden meegewogen dat de deskundigen hebben geadviseerd de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft in een periode van zeven maanden naar schatting meer dan 8.000 keer met een anoniem telefoonnummer gebeld naar verschillende verzorgingstehuizen van Woonzorgcentra Haaglanden in Den Haag, waarbij hij hijgde of zweeg. Door stelselmatig te bellen naar de verzorgingstehuizen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van vier medewerkers van voornoemde instelling. Zij ervoeren hierdoor gevoelens van boosheid, irritatie en onveiligheid.
Daarnaast heeft hij met dit zeer hinderlijke gedrag de lijnen van de zorginstellingen onnodig bezet gehouden en daarmee onbruikbaar gemaakt, waardoor gevaar voor personen en de verlening van diensten te duchten was. Op de vele momenten dat de verdachte belde, konden noodoproepen van bewoners en zorgmedewerkers, belangrijke telefoontjes, brandmeldingen en/of medische meldingen vertraagd of niet binnenkomen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij op 22 mei 2025 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank is veroordeeld voor het opzettelijk onbruikbaar maken van enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of verlening van diensten te duchten was. Hierbij was eveneens sprake van het hinderlijk bellen naar verzorgingstehuizen van Woonzorgcentra Haaglanden. Die veroordeling is inmiddels onherroepelijk geworden.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen over de persoon van de verdachte is gerapporteerd door pro Justitia rapporteur [naam 1] , psychiater en [naam 2] , psychiater en in opleiding tot rapporteur (hierna: de onderzoekers). Zij hebben op 17 mei 2026 een pro Justitia (enkel)rapportage opgemaakt, waaraan de verdachte heeft meegewerkt.
De onderzoekers concluderen dat er bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en dat deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Doordat de verdachte de hem verweten gedragingen ontkent, is het voor de onderzoekers niet mogelijk geweest om een delictscenario te reconstrueren en daarmee te bepalen of de aanwezige stoornis heeft doorgewerkt in de ten laste gelegde gedragingen. Evenwel concluderen de onderzoekers dat het – gelet op de aard en ernst van de psychotische problematiek, die naar alle waarschijnlijkheid al jaren bestaat en mogelijk verergerd is door middelengebruik – aannemelijk is dat deze pathologie ten minste in enige mate heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde. De onderzoekers adviseren de rechtbank om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Ten slotte volgt uit de rapportage dat behandeling gericht op psychiatrische stabilisatie, waaronder het adequaat instellen en handhaven van medicamenteuze behandeling met een antipsychoticum van groot belang is. De inschatting van de onderzoekers is dat een strafrechtelijke zorgmachtiging afdoende kan zijn om de verdachte in een passend behandel- en beveiligingskader te plaatsen. Deze zorgmachtiging zou voor de duur van zes maanden kunnen worden benut, waarna aansluitend de mogelijkheid bestaat om deze, indien geïndiceerd, civielrechtelijk te verlengen.
De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de onderzoekers op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze bevindingen en conclusies, voor zover deze zien op het bestaan van een stoornis en de doorwerking daarvan in de aan de verdacht ten laste gelegde feiten, dan ook over en maakt die tot de hare. Gelet op het voormelde, zal de rechtbank de bewezen verklaarde feiten dan ook in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Reclasseringsadvies d.d. 12 juni 2026
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 12 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van complexe problematiek op diverse leefgebieden, waarvoor langdurend behandel- en begeleidingstraject noodzakelijk is. Volgens de reclassering is er daarnaast sprake van een hoog recidiverisico, nu de verdachte geen ziekte- en probleembesef en inzicht heeft. Daarnaast is er bij de verdachte psychotische problematiek vastgesteld die nog steeds onbehandeld is.
De reclassering acht interventie enkel en alleen binnen het kader van een zorgmachtiging niet afdoende en adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of een maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen, een contact- en locatieverbod, de verplichting tot het vinden en behouden van een dagbesteding en de verplichting tot het aflossen van schulden. Ten slotte adviseert de reclassering deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 170 (honderdzeventig) dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 60 (zestig) dagen voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden – met uitzondering van het geadviseerde locatieverbod – verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Bijzondere voorwaarden
De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden dat zij op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding ziet voor een locatieverbod; het gaat in deze zaak om veelvuldig bellen (op afstand), maar aanwijzingen dat de verdachte zich ook heeft begeven naar de locaties van verzorgingstehuizen zijn er niet. Daarom zal zij de voorwaarde betreffende het locatieverbod dan ook niet aan de verdachte opleggen.
Verder ziet de rechtbank in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aanleiding om bij het op te leggen contactverbod te bepalen dat daarvoor een uitzondering geldt in het geval dat de moeder van de verdachte in een van de vestigingen van Woonzorgcentra Haaglanden zou verblijven en de verdachte daaromtrent een zinvol gesprek met voornoemde instelling dient te voeren.
Ten slotte ziet de rechtbank, anders dan de reclassering, geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop te bevelen.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om ingevolge artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contact- en/of gebiedsverbod aan de verdachte op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat met het op te leggen voorwaardelijke strafdeel en de daaraan te koppelen bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod, de daarmee nagestreefde doelen reeds voldoende worden gewaarborgd.
Bevel tot voorlopige hechtenis
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op de dag van de uitspraak van dit vonnis 110 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in deze zaak, waarna het bevel tot voorlopige hechtenis is geschorst. Nu de verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan hem op te leggen gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, ziet de rechtbank aanleiding om het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden op te heffen.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 56, 57, 63, 161sexies en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van
belaging
en
opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie onbruikbaar maken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en voor verlening van diensten te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 170 (HONDERDZEVENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
meldplicht bij de reclassering
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland (RN Advies & Toezichtunit 4 Zuid-West) aan het adres Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
opname in een zorginstelling
- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een zorginstelling of deskundige, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk acht, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling of deskundige aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor psychische problematiek, verslavingsproblematiek, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. De behandeling start na de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
opname in instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Het verblijf start na de klinische opname in een zorginstelling;
verbod op verdovende middelen
- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in Lijst I, IA en II, bij de Opiumwet, zoals hard- en softdrugs en alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, speeksel- of urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
contactverbod
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:
WoonZorgcentra Haaglanden (WZH), waaronder de locaties:
- WZH Vliethof, Raadhuisstraat 2, 2271 CW Voorburg;
- WZH Het Anker, Prinses Margrietlaan 24, 2273 AG Leidschendam;
- WZH Prinsenhof, Gravin Juliana van Stolberglaan 1,2263 AA Leidschendam;
- WZH Schoorwijck, Zaagmolenstraat 96, 2265 WZ Leidschendam;
- WZH Bezuidenhout, Bezuidenhoutseweg 150, 2594 AT Den Haag;
- WZH Nieuw Berkendael, Burgemeester Waldeckstraat 80, 2552 TX Den Haag;
- WZH Leilinde, Harriet Freezerhof 32, 2492 JD Den Haag;
- WZH Waterhof, Polanenhof 130, 2548 MC Den Haag;
- WZH De Strijp, Polanenhof 525, 2548 MP Den Haag;
behoudens de gevallen waarin de veroordeelde een zinvol gesprek dient te voeren in verband met het verblijf van zijn moeder op een van bovengenoemde locaties, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
dagbesteding
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
aflossing schulden
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.C. Berg, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2025 tot en met 31 december 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van
- [medewerker 1] en/of
- [medewerker 2] en/of
- [medewerker 3] en/of
- [medewerker 4] ,
zijnde diverse medewerkers van verschillende locaties van verzorgingstehuizen van WoonZorgcentra Haaglanden (WZH), terwijl deze perso(o)n(en) als verpleegkundige en/of verzorgende en/of medewerker servicepoint werkzaam was/waren in een verzorgingstehuis, door zeer frequent (met een anoniem telefoonnummer) naar deze verzorgingstehuizen te bellen en/of (daarbij)
- te zwijgen en/of
- te hijgen,
met het oogmerk die voornoemde medewerkers van de verzorgingstehuizen, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2025 tot en met 31 december 2025 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (door middel van zeer frequent anoniem te bellen) enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens en/of enig werk voor telecommunicatie, te weten:
de telefoonlijnen van diverse locaties van verzorgingstehuizen van WoonZorgcentra Haaglanden (WZH) waarop
- noodmeldingen van alarmknoppen van bewoners en/of
- meldingen van valdetectie-sensoren en/of
- telefoontjes van artsen en/of
- veiligheidsalarmen voor medewerkers
binnen komen (telkens) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt en/of stoornis in de gang en/of in de werking van dat/die zodanig(e) werk(en) heeft veroorzaakt en/of ten opzichte van dat/die zodanig(e) werk(en) genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, terwijl daardoor de wederrechtelijke verhindering en/of bemoeilijking van de opslag en/of verwerking van gegevens ten algemene nutte en/of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk en/of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst is ontstaan en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en/of voor de verlening van diensten te duchten was.