RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9909
V-nummer: [V-nummer]
mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om haar een visum voor kort verblijf te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] als waarnemer van haar gemachtigde. Verschenen is mevrouw [naam 2], referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [datum] 1990. Op 27 augustus 2024 heeft zij voor zichzelf en haar bovengenoemde minderjarige kinderen een aanvraag ingediend voor afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek in Nederland bij [naam 2], referent.
2. Bij het primaire besluit van 19 september 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft in het primaire besluit overwogen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het verweerschrift van 21 augustus 2026 niet meer tegengeworpen dat er getwijfeld wordt aan het voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. Voor het overige wordt het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, en voert daartoe aan dat zij de ‘vragenlijst visumaanvraag’ niet heeft ontvangen. Verweerder had niet mogen afzien van een hoorzitting. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, en naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag. Volgens eiseres ligt de lat van bewijsvoering dusdanig hoog dat het onmogelijk is om hieraan te voldoen. Tot slot heeft verweerder in de besluitvorming niet alle individuele belangen van eiseres op de merites meegewogen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
5. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing). Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag bij de beoordeling van de relevante feiten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of één van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 14 van de Visumcode volgt dat de bewijslast bij eiseres ligt om aan te tonen dat zij voldoet aan de vereisten van de gevraagde visa. Dit betekent dat zij het opgegeven reisdoel moet onderbouwen en de gestelde relatie met referent aannemelijk maken. Aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om de visumaanvraag nader te onderbouwen. Deze vragenlijst bevat een toelichting welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de vragenlijst visumaanvraag niet is ontvangen, overweegt de rechtbank dat verweerder een uitdraai van INDIGO, het digitale systeem van verweerder, heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de vragenlijst op 5 november 2024 is verzonden. Overigens heeft eiseres in beroep vlak voor de zitting alsnog een ingevulde vragenlijst – wat hier overigens ook van zij, nu hierin een andere periode van verblijf is genoemd en is aangegeven dat de minderjarige kinderen juist niet meekomen – ingebracht, waarin staat dat deze lijst door referent is ondertekend op 26 november 2024.
7. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Hierbij is van belang dat eiseres geen objectieve documenten heeft overgelegd waaruit de gestelde band met referent blijkt. Verweerder heeft eiseres, zoals hiervoor is overwogen, afdoende in de gelegenheid gesteld om de gestelde band aan te tonen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder een te hoge maatstaf hanteert. Gelet op het door eiseres opgegeven reisdoel acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder verlangt dat eiseres haar banden met referent met documenten staaft. Eiseres heeft niet toegelicht waarom dit niet van haar kan worden verlangd. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 benadrukt dat de indiener van een bezwaarschrift in beginsel door het bestuursorgaan daarover gehoord moet worden. Dit laat echter onverlet dat artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hierop een uitzondering mogelijk is als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat er geen twijfel bestaat dat een bezwaarschrift niet leidt tot een ander oordeel dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat van een dergelijk geval sprake is. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd over haar doel en omstandigheden van het verblijf, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Eiseres heeft immers ook in bezwaar geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit de gestelde relatie met referent blijkt. Een hoorzitting had dit gebrek niet kunnen herstellen, omdat een mondelinge toelichting het ontbreken van objectieve bewijsstukken niet kan vervangen. Verweerder heeft daarom van het horen van eiseres mogen afzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het door haar betaalde griffierecht niet terug. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.