RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.38008
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver)
en
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder bericht niet verschenen.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Ghanese nationaliteit. Hij heeft op 1 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen wanneer op grond van de AMB-Vo is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat eerder eiser op 29 maart 2025 in Duitsland en op 14 mei 2025 in Roemenië asielaanvragen heeft ingediend. Om die reden heeft verweerder op 14 april 2026 de Roemeense autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Roemeense autoriteiten hebben dit verzoek op 24 april 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Roemenië vanaf die datum vaststaat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, omdat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of overdracht aan Roemenië in eisers geval een risico oplevert op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, en onvoldoende heeft gemotiveerd dat van een dergelijk risico geen sprake is. Verweerder heeft daarbij ten onrechte volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en onvoldoende rekening gehouden met de algemene situatie in Roemenië, zoals die uit recente rapportages blijkt, en met eisers individuele omstandigheden en verklaringen over zijn vrees voor zijn behandeling aldaar. Daarnaast heeft verweerder, gelet op eisers individuele omstandigheden, onvoldoende oog gehad voor de mogelijkheid om met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit artikel 43, eerste lid, van de AMB-Vo volgt de draagwijdte van het beroep. De beoordeling van het beroep is beperkt tot drie aspecten, namelijk of:
5. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgrond dat verweerder, gelet op eisers individuele omstandigheden, onvoldoende oog heeft gehad voor de mogelijkheid om met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken, niet onder één van de genoemde aspecten valt en daarmee niet onder de draagwijdte van artikel 43, eerste lid, van de AMB-Vo.
6. De overige beroepsgronden vallen onder het in artikel 43, eerste lid, tweede alinea, aanhef en onder a, van de AMB-Vo genoemde aspect. De rechtbank zal deze beroepsgronden hierna beoordelen.
7. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling geoordeeld in haar meest recente uitspraken van 27 december 2023 en 22 juli 2024. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd.
8. Ten aanzien van de algemene situatie in Roemenië heeft eiser gesteld dat uit diverse recente rapportages blijkt van tekortkomingen in de opvang, rechtsbijstand, medische zorg en de asielprocedure. Hij heeft daarbij echter niet gespecificeerd op welke rapportages hij doelt en heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd. Daarmee heeft hij onvoldoende concreet gemaakt dat ten aanzien van Roemenië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Indien eiser na overdracht aan Roemenië problemen zou ervaren, ligt het op zijn weg zich tot de Roemeense autoriteiten te wenden. De Roemeense autoriteiten hebben immers met het claimakkoord gegarandeerd zijn asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9. Ten aanzien van eisers gestelde individuele omstandigheden heeft hij aangevoerd dat hij zich niet veilig voelt in Roemenië en vreest voor zijn behandeling aldaar. Zo is hij in Roemenië bedreigd, heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie, echter zijn de bedreigingen daarna voortgezet. Eiser heeft deze gestelde omstandigheden evenwel niet genoegzaam met objectieve stukken onderbouwd. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de Roemeense autoriteiten hebben geweigerd hem bescherming te bieden. Overigens heeft hij verklaard dat hij heeft besloten Roemenië te verlaten omdat hij naar eigen zeggen geen voortgang in zijn zaak zag en steeds meer voor zijn veiligheid vreesde. Dit maakt op zichzelf niet aannemelijk dat de Roemeense autoriteiten hem bij terugkeer niet kunnen of willen beschermen en dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.