RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50495
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens
heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
5. Daarnaast werpt de minister eiser aanvullend tegen dat eiser kan worden aangemerkt als een zogenoemde criminele overlastgevende vreemdeling. Eiser komt volgens de minister de afgelopen jaren veelvuldig voor binnen de politieregistraties als betrokkene bij overlastsituaties.
Voortraject
6. Eiser stelt allereerst dat de strafrechtelijke staandehouding onrechtmatig is geweest. Eiser merkt op dat hij op het station in Heerenveen is staandegehouden omdat hij verdachte bewegingen bij fietsen maakte. Eiser merkt op dat hij zich over het algemeen wat verward gedraagt en dat hij daarom gecriminaliseerd is bij deze staandehouding.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Dit betekent dat de rechtbank de staandehouding van eiser in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen.
De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling voor het overige niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu eiser zijn verblijfsvergunning regulier is ingetrokken vanaf 15 oktober 2025 en eiser op
10 februari 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
9. De rechtbank is van oordeel dat grond b terecht aan eiser is opgelegd. Eiser heeft op 10 februari 2026 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen en heeft zich hier niet aan gehouden. Dat eiser stelt dat hij altijd weer is teruggekeerd naar Suriname na verblijf in Nederland, maakt dit oordeel niet anders. Grond d is eveneens feitelijk juist. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de reden van zijn komst naar Nederland. Hij stelt dat hij zich heeft ingeschreven voor een studie, terwijl zijn daadwerkelijke doel was om hier te werken. Hij heeft daarmee bewust een ander doel voor zijn komst naar Nederland opgegeven. Dat eiser stelt dat dit niet uit het dossier blijkt, volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn doel was om in Nederland te werken in plaats van te studeren. Ook grond p is feitelijk juist. Eiser verbleef onrechtmatig in Nederland en heeft zich niet gemeld. Eiser onttrekt zich hiermee aan het toezicht. Daarnaast is grond s terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan. Ten tijde van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard een bankrekening te hebben met daarop € 782,- Dat is niet voldoende om zijn terugkeer te bekostigen. Dat eiser stelt dat hij wordt onderhouden door zijn familie, maakt dit oordeel niet anders. Bovendien heeft eiser deze stelling niet nader onderbouwd.
De rechtbank laat de gronden h, r en u onbesproken omdat de overige hiervoor besproken gronden voldoende zijn om te maatregel te kunnen dragen.
10. Ten aanzien van de aanvullende tegenwerping dat eiser kan worden aangemerkt als een zogenoemde criminele overlastgevende vreemdeling, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat in de maatregel enkel is overwogen dat eiser de afgelopen jaren veelvuldig binnen de politieregistraties als betrokkene voorkomt bij overlastsituaties. Een nadere onderbouwing ontbreekt echter in de maatregel, zodat onvoldoende gemotiveerd is dat eiser een criminele overlastgevende vreemdeling zou zijn. De rechtbank acht eveneens van belang dat het strafblad van eiser hiervan geen blijk geeft. De aanvullende motivering op zitting, dat er 19 politieregistraties zichtbaar zijn van verschillende strafbare feiten, acht de rechtbank eveneens onvoldoende. Nog daargelaten dat de onderbouwing in de maatregel ontbreekt, acht de rechtbank de opsomming van enkele van deze registraties onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser een criminele overlastgevende vreemdeling is. Dit laat echter onverlet dat de hiervoor besproken gronden naar het oordeel van de rechtbank wel aan eiser kunnen worden tegengeworpen. Deze gronden zijn al voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Dat eiser stelt dat hij na verblijf in Nederland altijd weer is teruggekeerd naar Suriname, maakt dit oordeel niet anders. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onderduiken is gegeven.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser en lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarend handelen
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er is op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 2 september 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister heeft daarnaast op zitting verklaard dat de laissez-passeraanvraag van eiser volgens het logboek die dag zou worden verstuurd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
13. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Suriname in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Suriname geen laissez-passer binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken. Eisers stelling dat uit het vertrekgesprek van 2 september 2026 blijkt dat eiser de komende tijd bezoek kan blijven verwachten van DT&V en dat daarom geen zicht op uitzetting bestaat, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft op zitting toegelicht dat dit komt doordat er een laissez-passer voor eiser moet worden aangevraagd, omdat eiser zijn paspoort niet wil/kan overleggen.
Conclusie en gevolgen
14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.