RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13056
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. G. Dreijer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, maar dat de minister dit met een aanvullende motivering op zitting heeft hersteld. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet in de aanvullende motivering aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dit bekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in 2014 naar Turkije gevlucht vanwege de oorlog in Syrië. Omdat zijn broer ondanks de smeekbedes van eiser is geëxecuteerd, is eiser zijn geloof verloren en is hij afvallig geworden. Bij terugkeer vreest hij vermoord of gearresteerd te worden vanwege zijn afvalligheid. Ook vreest hij voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2. de gestelde afvalligheid van eiser.
De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. Dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt. Ook heeft eiser de vrees voor vervolging vanwege zijn afvalligheid niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft daarnaast overwogen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de asielaanvraag om deze redenen afgewezen.
Afvalligheid
5. Eiser stelt dat uit de door hem in de zienswijze overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk volgt dat er weinig concrete berichten zijn over incidenten, maar dat dit niet betekent dat het zich afkeren van de Islam of het uiten van atheïsme geen ernstige risico’s met zich meebrengt. Het enkele feit dat er weinig bekend is over incidenten rondom afvalligen en atheïsten betekent juist dat afvalligen en atheïsten zich niet durven te uiten. Ook stelt eiser dat hij niet nadrukkelijk vreest voor de autoriteiten, maar met name voor de negatieve reacties vanuit de maatschappij en vooral voor zijn eigen familie. Eiser stelt uit een zeer conservatieve familie te komen en hij vreest bij terugkeer voor wat zijn familie hem zal aandoen. De minister heeft de beschikking volgens eiser ten aanzien van deze punten onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de vrees van eiser voor zijn familie overweegt de rechtbank dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is van belang dat eiser in het nader gehoor in algemene termen heeft gesproken over vrees voor zijn familie en dat hij pas in de gronden van beroep specificeert dat dit zou gaan over zijn broer en ooms. Bovendien heeft eiser pas op de zitting gesteld dat hij ook voor zijn ouders en zus vreest. De minister heeft op goede gronden overwogen dat eiser geen goede reden heeft gegeven voor het pas in beroep specifiëren van de vrees voor zijn familie. Eiser heeft daarnaast nagelaten om zijn vrees nader toe te lichten en te onderbouwen. Daarbij komt ten aanzien van de zus en ouders van eiser dat zij in Saoedi-Arabië wonen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Syrië voor zijn familie te vrezen heeft.
Ten aanzien van eisers vrees voor reacties vanuit de maatschappij en verstoting door diezelfde maatschappij overweegt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft in het bestreden besluit enkel opgenomen dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege het niet naleven van islamitische leefregels, maar heeft niets opgenomen over de vrees van eiser voor verstoting door de maatschappij. De rechtbank concludeert dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep van eiser is op dit punt daarom gegrond.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat de minister het motiveringsgebrek ter zitting heeft hersteld door nader te motiveren dat het risico op verstoting door de maatschappij onvoldoende aanleiding is voor vergunningverlening. De minister heeft daarbij alsnog gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië vanwege zijn afvalligheid. Uit het Algemeen Ambtsbericht van 2025 en de landeninformatie van EUAA blijkt weliswaar dat afvalligen verstoting binnen de eigen gemeenschap kunnen ervaren, maar niet dat afvalligen van overheidswege worden vervolgd. Hierbij is ook betrokken dat uit landeninformatie volgt dat de overgangsregering van HTS geen strenge islamitische leefregels heeft geïntroduceerd en dat ook niet anderszins van bestraffing of andere vormen van vervolging in Syrië is gebleken vanwege het niet praktiseren van een geloofsovertuiging. Daarbij geldt ook dat eiser niet heeft gesteld in zijn nader gehoor noch heeft onderbouwd dat hij zijn afvalligheid geuit heeft of actief wenst te uiten en dat om die reden ook niet op individuele gronden vervolging aannemelijk is gemaakt. Hieruit volgt dat ook niet aannemelijk is geworden dat eiser verstoten zal worden.
Algemene veiligheidssituatie in Syrië
6. Eiser stelt dat voor heel Syrië de hoogste categorie van willekeurig geweld zou moeten gelden in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en dat de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet meeweegt in dit kader. Eiser wijst hiervoor op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 23 februari 2026 en zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is nu de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen. Eiser stelt zich bovendien op het standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië veroorzaakt zijn door een actieve actor, nu de huidige president van Syrië één van de grootste tegenstanders was van het regime van Assad. Ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie in Syrië verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 27 augustus 2026. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat, gezien het gebrek aan stabiliteit in Syrië, onvoldoende blijkt waarop de minister zijn standpunt over de veiligheidssituatie baseert.
Voor zover eiser met individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld stelt eiser zich op het standpunt dat hij vanwege zijn afvalligheid, het bijbehorende risico op verstoting en zijn verblijf in Europa meer risico’s loopt dan andere Syriërs. De stelling van de minister dat eiser dit niet heeft onderbouwd, is onjuist. Hierbij wijst eiser op de overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk, waaruit blijkt dat afvalligheid in Syrië nog steeds wordt veroordeeld en kan leiden tot geweld.
7. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nu nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij vanwege zijn afvalligheid en zijn verblijf in een westers land meer risico loopt op willekeurig geweld dan andere Syriërs overweegt de rechtbank dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij vanwege zijn afvalligheid meer risico loopt op willekeurig geweld. Dat eiser meer risico zou lopen vanwege zijn verblijf in een westers land heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt, en volgt evenmin uit de overgelegde landeninformatie.
De humanitaire situatie en artikel 3 van het EVRM
8. Zoals op de zitting ter sprake is gekomen volgt uit het arrest Sufi en Elmi dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van beroep geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Aleppo. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank op basis van de nu in het dossier aanwezige stukken niet gebleken dat in Syrië, en Aleppo in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 9, bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Aleppo is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarom is er geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb gelet op wat is overwogen onder 5.2. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, gelet op wat is overwogen onder 5.3. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.